Verlangen naar de panda

De reuzenpanda leeft in bamboebossen in Zuidwest-China. Tot voor kort leek hij er slecht aan toe. Maar sinds de lokale overheid natuurbescherming serieus neemt, bestaat er uitzicht op verbetering.

The Last Panda, George B. Schaller, University of Chicago Press 1993, ISBN 0-226-73628-8.

Pandas, people and policy. Stephen J. O'Brien, Pan Wenshi & Lu Zhi. Nature vol. 369, 19 mei 1994.

Een reuzenpanda is de aaibaarheidsfactor in het kwadraat. Zijn uitgesproken tekening, grote ronde hoofd met melancholieke oogvlekken en zijn voorkeur voor een zittende houding maken hem voor mensen onweerstaanbaar.

Omgekeerd zien panda's weinig in mensen. Naar verhouding hebben zij in gevangenschap meer verzorgers ernstig verwond dan welke dieren ook, olifanten uitgezonderd. Reuzenpanda's zijn niet knuffelig van aard. Bedreigd zijn ze wel.

Voor het eerste in jaren is er positief nieuws van het panda-front. Tot voor kort leek de situatie van de reuzenpanda (Ailuropoda melanoleuca) er alleen maar slechter op te worden. Volgens een telling die in 1987 werd afgesloten, liepen in totaal nog 1.100 dieren rond in hun huidige verspreidingsgebied, de bamboebossen van Zuidwest-China. Alle beschermingspogingen ten spijt, is het leefgebied van reuzenpanda's tussen 1973 en 1984 gehalveerd. Wat rest zijn zes van elkaar afgesneden bergachtige gebieden waar deze gespecialiseerde bamboe-eters hun voedsel vinden.

De panda's worden verdeeld in 24 kleine populaties, gescheiden door bergketens, rivieren, wegen, kaalkap en menselijke nederzettingen. Sommige populaties tellen minder dan twintig dieren. Stroperij en commerciële boskap zorgen voor een verdere daling van panda-aantallen. Sinds in China op het doden van reuzenpanda's de doodstraf staat, zijn weinig stropers nog uit op hun kostbare pels. Maar de dieren komen regelmatig in strikken terecht die bedoeld zijn voor muskusherten of ander wild.

In zijn boek The last Panda, dat vorig jaar verscheen, beschrijft de gerenommeerde onderzoeker en natuurbeschermer George Schaller het dreigende failliet van de panda-bescherming. Schaller deed als eerste degelijk onderzoek naar reuzenpanda's in het wild. Daarnaast probeerde hij beschermingsmaatregelen van de grond te krijgen. Zijn relaas over die periode en de daaropvolgende jaren is buitengewoon boeiend maar stemt ook bitter. Met de op alle niveaus strikt hiërarchische Chinese overheid bleek het haast onmogelijk samen te werken. Bescherming van reservaten ontbrak door een combinatie van onmacht en onverschilligheid. Ook ergerde hij zich aan zijn opdrachtgever, het World Wide Fund for Nature. Dat probeerde vanuit het hoofdkantoor in Zwitserland de panda-bescherming te sturen, zonder zich al te veel te verdiepen in de Chinese onderhandelingscultuur.

BeeldmerkHet WWF, dat de reuzenpanda als beeldmerk voert, was bereid flinke sommen in beschermingsmaatregelen te steken. Aan Chinese zijde stond men erop dat geld te besteden aan het opzetten van een high-tech fokcentrum in Wolong. Andere departementen wilden vervolgens ook zo'n prestigieus centrum. Om zo'n 'panda bureaucratie' te rechtvaardigen werden vele dieren gevangen ('gered') en in de fokstations ondergebracht. Dieren die, zoals Schaller vaststelt, heel goed in staat waren zich zonder menselijke assistentie en kunstmatige inseminatie voort te planten. Onder de spaarzame jongen die op de fokstations ter wereld kwamen, was de sterfte schrikbarend hoog.

Schaller bekritiseert Westerse dierentuinen, om hun onbeteugelde verlangen reuzenpanda's aan het publiek te tonen. Dat leidde tot de Chinese 'Rent-a-Panda' politiek, die haar hoogtepunt beleefde aan het eind van de jaren tachtig. Panda's werden op tournee gestuurd. Landen ontdoken hun eigen natuurbeschermingswetten om deze publiekstrekkers binnen te halen. Tegenover zes-cijferige huurprijzen stonden miljoenenwinsten door toegenomen dierentuinbezoek.

Maar toerende panda's planten zich niet voort. Daarnaast was het onduidelijk hoeveel geld nu daadwerkelijk in de Chinese beschermingsla terecht kwam. Na toenemend protest kwam er een eind aan deze uitbating van een bedreigde diersoort.In 1992 werd het moratorium nog doorbroken door 'Columbus Zoo' in Toledo: panda's waren onmisbaar voor de herdenking van de 'ontdekking' van Amerika. Die dieren zou Columbus immers gezien hebben als hij in China was beland. Mogelijk speelde ook mee dat een vorig panda-huurcontract de stad Toledo in 1988 een winst van 60 miljoen dollar had opgeleverd.

In het leefgebied van de panda's gingen intussen de stroperij en boskap onverminderd door, zo blijkt uit Schallers boek. Ook in de officiële reservaten ontbrak ieder toezicht. De wilde panda's raakten steeds verder geïsoleerd op bergtop-eilanden en de menselijke populatie groeide.

Dat sombere beeld kan nu iets bijgesteld worden. Dat betoogden onderzoekers Stephen O'Brien, Pan Wenshi en Lu Zhi onlangs in Nature. Uit hun onderzoek komen enkele bemoedigende gegevens naar voren. In het meest noordelijke deel van het verspreidingsgebied, het Qinling gebergte, blijkt de panda-populatie stabiel te zijn, met tegen de tweehonderdveertig dieren. Ook tegen de grens van landbouwgronden planten de dieren zich goed voort. De oprukkende houtindustrie heeft nog geen invloed op de populatie gehad. In Wolong, waar Schaller zijn negatieve ervaringen opdeed, is de stroperij nu onder controle dankzij intensieve patrouilles. Ook in het fokcentrum is de situatie verbeterd. Sinds daar in 1991 dankzij het WWF veterinair onderzoek van de grond kwam, is de sterfte onder de jongen flink teruggedrongen.

Daarnaast stellen de onderzoekers vast dat de Chinese overheid pandabescherming tegenwoordig serieus neemt. In samenwerking met het WWF kwam zij tot een beschermingsplan waarbij de dertien bestaande reservaten uitgebreid worden en veertien nieuwe reservaten worden ingesteld. Die reservaten omvatten bijna het volledige tegenwoordige verspreidingsgebied. Daarnaast voorziet het plan in de aanleg van 'bamboe-corridors': groene zones die reservaten met geïsoleerde groepen panda's met elkaar verbinden.

Een struikelblok vormen de financiën. Maar door het tegen betaling voor het meerjarig uitlenen van fokstellen van panda's aan dierentuinen kunnen die kosten deels worden bestreden.

Dit 'Management Plan for the Giant Panda and its Habitat' komt niet uit de lucht vallen. Al in 1989 werd het in samenwerking opgesteld door het Chinese ministerie voor Bosbeheer en het WWF. Vervolgens heeft de Chinese overheid twee jaar gewacht met beoordeling. Toen kwam zij met een aangepaste versie, waarin meer nadruk werd gelegd op fokprogramma's. Tegelijkertijd ontstond er onenigheid over de vereiste investering van Chinese zijde.

Op andere punten groeide de dadendrang van de Chinese overheid. Vijfduizend dorpelingen die in de panda-reservaten wonen zouden moeten verhuizen. Daarnaast zouden 18 houtverwerkingsbedrijven verplaatst worden. Het leek een droombeeld voor de natuurbescherming: een land, kampend met een bevolkingsexplosie en een milieucrisis, dat ruimte wil vrij maken voor de natuur. Maar begin vorig jaar meldde het blad 'Panda' van het Wereldnatuurfonds Nederland, dat het WWF zich juist niet in die aanpak kon vinden. Het had er steeds op aangedrongen de mensen in de reservaten te laten wonen, zonodig om te scholen en te betrekken bij natuurbescherming.

Daarna was het weer enige tijd stil. Zijn beide partijen nu werkelijk akkoord? Chris Hails, hoofd van het Azië Programma van het internationale Wereldnatuurfonds, licht de huidige status van het plan graag toe. “Het is geen enkelvoudig plan dat wel of niet ondertekend wordt. Het is een flinke stapel van 77 verschillende projecten. Met de uitvoering daarvan moet grotendeels nog begonnen worden, maar in principe is er algemene overeenstemming.”

Hoofdprobleem

Mensen vormen het hoofdprobleem voor panda's. Wat is erop tegen ze uit de reservaten te weren? Hails: “In de moderne natuurbeschemingsgedachte past het eenvoudigweg niet mensen te evacueren. Het veroorzaakt veel wrok - en bij het beheer van een reservaat ben je sterk afhankelijk van de plaatselijk publieke opinie. Mensen en reuzenpanda's kunnen goed samengaan: de panda's leven op berghellingen, de mensen in de dalen. Voorwaarde is dat er een situatie gecreëerd wordt waarin slechts duurzaam van de bossen gebruik gemaakt wordt. De houtbedrijven vormen daarbij een groot probleem. Maar het is beter dat probleem op te lossen dan het te verplaatsen - dat kan door herscholing en het bieden van alternatieve inkomstenbronnen, zoals toerisme.”

Volgens Hails is er zeker sprake van nieuwe hoop voor de reuzenpanda. “In China groeit de aandacht voor natuurbescherming - ook uit eigenbelang. Ieder jaar kampt China met overstromingen die duizenden mensenlevens eisen. Door het stoppen van de houtkap en de heraanplant van bossen kunnen zulke overstromingen voorkomen worden. Daarvoor komt steeds meer aandacht, evenals voor het feit dat talloze planten en dieren van bescherming van de panda-gebieden meeprofiteren. De reuzenpanda zien we als 'umbrella-species', hij fungeert als vlaggeschip voor zijn habitat. Ik blijf voorzichtig, maar voor het eerst in twintig jaar is de toekomst van de soort verbeterd.”