Toontaal (3)

In een interview met het NRC (W&O, 28 juli) heb ik gesuggereerd dat Limburgse dialecten van immens belang zijn voor iedere taalkundige die geïnteresseerd is in de relaties tussen toon en klemtoon. In dat interview heb ik heel in het kort geschetst in welke richting de lezer moet denken. Over details heb ik niets gezegd, omdat het verhaal daarmee veel te technisch zou worden. Een paar mensen hebben op dit interview gereageerd. Twee van die reacties zijn heel bijzonder, omdat ze stellen dat mijn beweringen al jaren bekend zijn. Hoe zit dat?

Om een einde te maken aan de verwarring moet ik iets zeggen over wat het betekent om iets te weten over een taal. Laat ik een voorbeeld geven uit het Nederlands. Iedereen die het Nederlands beheerst weet op welke lettergreep in een bepaald (Nederlands) woord de klemtoon valt. Soms is het de laatste lettergreep, soms de voorlaatste, enzovoorts. Deze feiten zijn ook bekend bij de taalkundigen die zich met het Nederlands bezighouden. Sommige taalkundigen registreren deze feiten, bijvoorbeeld in woordenboeken. Puur feitelijk gezien is het dus bekend waar de klemtoon staat in de woorden van het Nederlands. Laten we dit niveau waarop feiten bekend zijn het 'descriptieve niveau' noemen.

Nu is er ook een ander niveau. Dit zou men het 'verklarende niveau' kunnen noemen. Op dit niveau houdt men zich bezig met de vraag waarom (!) in sommige woorden de klemtoon op de laatste lettergreep valt, terwijl hij in andere woorden op de voorlaatste lettergreep verschijnt. Interessant is nu dat op dit niveau eigenlijk pas sinds een paar jaar iets bekend is geworden over het Nederlands. We concluderen dus dat op het descriptieve niveau alles allang bekend is over de Nederlandse klemtoon, terwijl er op het verklarende niveau slechts zeer weinig bekend is.

In dit licht moet de lezer mijn werk zien. Op het descriptieve niveau is het allang bekend dat de Limburgse, Litouwse en Servo-Kroatische accenten anders zijn dan die van bijvoorbeeld het Nederlands. Er bestaan ontelbare bandopnamen waarop 'native speakers' demonstreren dat er iets aan de hand is met die accenten; er zijn talloze geleerde boeken en artikelen waarin de taalkundigen bevestigen dat er inderdaad iets aan de hand is.

Ik durf echter te beweren dat het op het verklarende (!) niveau totaal onbekend is wat dat nu precies is. Mijn werk, nu, is een poging om inzicht te krijgen in de systematiek van die accenten. Met andere woorden, in mijn werk probeer ik door te stoten van het descriptieve naar het verklarende niveau. In dit opzicht is het een eerste (schamel) begin, en beslist niet iets wat al sinds jaar en dag zelfs in Geleen bekend is. Met betrekking tot de accenten van het Limburgs, Litouws en Servo-Kroatisch kan men zich dus de situatie als volgt voorstellen: de bandopnamen en de woordenboeken zijn verzameld op de universiteit van Leiden; het inzicht en het begrip, echter, zijn te vinden op de universiteit van Tilburg.