Staatssecretaris voor kunst

Onder de kop 'Géén staatssecretaris voor kunst' roept Frans de Ruiter op de opiniepagina van 18 augustus rampen over de kunstwereld af als wij worden 'afgescheept' met een gespecialiseerd staatssecretariaat. Zo bezien moeten de kunsten dus zeer ongelukkig zijn met staatssecretaris Aad Nuis op Onderwijs & Cultuur. Maar er is geen enkele reden voor ontevredenheid.

De Ruiter schetst de staatssecretaris als een bewindspersoon die zo ongeveer de koffie mag zetten. Bij geen enkele belangrijke beslissing is hij aanwezig en dus wordt er met cultuur geen rekening gehouden. Dat is al niet waar. Er zijn staatssecretarissen die bij iedere kabinetsvergadering zitten en anders is er altijd de eigen minister nog. Met een variant op de reclame: een staatssecretaris is zo groot als hij zich maakt. Een minister daarentegen is in onze verhoudingen altijd een minister van dit en dat en ... oh ja, cultuur. Tenslotte gaat er bijvoorbeeld in het onderwijs 34 miljard, en in de kunsten 400 miljoen, om. Bovendien is een minister zwaar belast met het beheer van het departement en draagt hij verantwoordelijkheid voor alles wat zijn collega's doen. Als het even tegen zit (de laatste vier jaar met asielzoekers, Golfoorlog en bejaarden, straks met de studiefinanciering bijvoorbeeld) moet cultuur er op de hoek van de keukentafel bij. Dat hebben we vanuit het kunstenveld acht jaar ondervonden van Brinkman, al had die tenminste nog persoonlijke belangstelling voor dit terrein. Dat hebben we ook vier jaar ondervonden van d'Ancona, die chronisch klachten kreeg over gebrekkige beschikbaarheid voor overleg en zich even chronisch verdedigde met het argument dat ze geen tijd had. Liever het halve ei van een staatssecretaris dan de lege dop van zo'n soort minister van Cultuur.