Singapore; Het onfatsoen van de pers

Fatsoen. Daar draait veel, zo niet alles om bij de autoriteiten in Singapore. Wie onfatsoenlijk is kan rekenen op straf. Philip Bowrig, een journalist van de Amerikaanse krant International Herald Tribune, waagde het begin vorige maand een kritisch stuk te schrijven over de dynastie van de Lee's in Singapore. Volgens het artikel had vice-premier Lee Hsien Loong zijn huidige functie en al zijn voorgaande posten louter te danken aan zijn vader Lee Kuan Yew, de éminence grise van de Singaporese politiek. Bowring refereerde aan “de strijd tussen de behoeftes van de corporatieve staat en de belangen van de families die hem besturen”.

Dat was zeer onfatsoenlijk, vond de Singaporese regering en zij eiste rectificatie. Die kwam er ook. De Herald Tribune - gezamenlijk eigendom van The Washington Post en The New York Times - excuseerde zich gisteren op een prominente plaats voor het bericht. Behalve door Bowring, is de verontschuldiging ook ondertekend door de uitgever en de hoofdredacteur van de Herald.

In de verontschuldiging kan men nog heel veel tongue-in-cheek lezen: in plaats van simpele excuses, herhaalt de krant nog een keer alle beschuldigingen aan het adres van Lee jr., om er in de volgende alinea aan toe te voegen: “Wij geven toe dat deze beschuldigingen volkomen uit de lucht waren gegrepen.” Door de opmaak, als een soort rouwadvertentie, springt de apologie als een overdreven bekentenis uit de pagina. Uitgever en redactie lijken hiermee en passant de stadstaat op subtiele wijze belachelijk te willen maken, om het gezicht in de 'vrije wereld' te redden.

Het maken van excuses door de Herald blijft op de keper beschouwd een vorm van zelfcensuur. Wat Bowring over de Lee's schreef was weliswaar speculatief, maar had een kern van waarheid. En dat Singapore een corporatieve staat met dictatoriale trekjes is, staat volkomen vast. Maar de Herald voelde zich kennelijk verplicht de stap te zetten omdat een deel van de editie in Zuidoost-Azië wordt gedrukt in Singapore.

Het is niet de eerste keer dat de vrije pers in botsing komt met de autoriteiten in Singapore. The Asian Wall Street Journal, Time, Asiaweek en de The Far Eastern Economic Review (waarvan Philip Bowring vroeger hoofdredacteur was) moesten eerder voor enige tijd de distrubutie van hun blad in Singapore staken na de publikatie van artikelen die de regering niet zinden.

Met de publieke verontschuldiging door de Herald Tribune is de zaak wat Singapore betreft overigens nog niet afgelopen. Advocaten van Lee Kuan Yew en zijn zoon maakten vandaag bekend dat ze schadevergoeding van de Amerikaanse krant zullen eisen op grond van laster.

Het brave, fatsoenlijke Singapore is vooral dat van de bestuurders, dat van de politici. De kleine republiek - oppervlakte drie maal zo groot als Amsterdam - wordt sinds de stichting in 1965 geregeerd door de People's Action Party (PAP). Formeel is Singapore een democratie. Oppositie is weliswaar toegestaan, maar met zeer grote beperkingen. De PAP wijst er simpelweg op dat 'het volk' steeds weer vrijelijk voor Lee Kuan Yew (die tussen '65 en '90 premier was) en zijn opvolger Goh Chok Tong koos. Het was Lee sr. tenslotte die van Singapore een zeer welvarend land maakte, waar het inkomen per hoofd van de bevolking even hoog is als in West-Europa en de Verenigde Staten.

Of de Singaporezen ook alle normen en waarden van de PAP delen is zeer de vraag. Goh Chok Tong hield ter gelegenheid van een nationale feestdag op 21 augustus een rede waarin hij zich met name richtte tot zijn jonge landgenoten. Hij waarschuwde voor het gevaar van popmuziek, buitenlandse televisie en een vrije pers, die “de ondergang van Singapore kunnen betekenen”. De jeugd moet zich keren tegen het Westerse materialisme en tegen de democratie Westerse stijl, zei Goh.

Jonge Singaporezen hebben zich, zoals de jeugd in alle rijke landen, echter allang overgegeven aan de 'geneugten' van pop, coca cola en beefburgers van McDonalds. De Singaporese bevolking is veel minder “fatsoenlijk” dan haar regering graag zou willen. Downtown Singapore voldoet nog aan het beeld van de steriele, perfecte samenleving. Maar in wijken buiten het centrum heerst nog wel degelijk een minder puriteins leven. Neem Little India, waar een groot deel van de Indiase minderheid van Singapore woont (7 procent op 3 miljoen inwoners). 's Avonds scholen de mannen bij duizenden samen op straten en pleinen, waar ze er met zijn allen een gezellige, on-Singaporese rommel van maken. Voetgangers wachten er niet eens braaf tot het verkeerslicht op groen springt.