Reputaties

Sinds de financiële constructies van Florio Fiorini en Giancarlo Paretti in 1992 instortten, hullen Nederlanders die met dit beruchte Italiaanse duo hebben meegewerkt, zich in stilzwijgen. Een accountant die medewerker was van een van de Nederlandse ondernemingen van het tweetal doet hardnekkig zijn best om alles te vergeten nadat Fiorini als meester-oplichter in oktober 1992 in een Zwitserse gevangenis belandde.

Voormalige commissarissen verwachten dat anderen zo kies zijn ook niet meer te praten over hun relaties met het Italiaanse tweetal, dat meer dan twee miljard dollar leende bij de Credit Lyonnais Bank Nederland (CLBN) en daarmee belangrijk bijdroeg aan verliezen van moederbank Crédit Lyonnais in Parijs. Ze zijn bezorgd om hun reputaties. Ing. J. Kraaijeveld van Hemert bijvoorbeeld, die vooral bekend is als voormalig topman van Koninklijke Boskalis Westminster, was president-commissaris van Fiorini's onderneming Bobel. Hij is bovendien voormalig commissaris van Slavenburg's Bank, de Rotterdamse bank die de voorganger was van CLBN. Met Slavenburg bleek Crédit Lyonnais in 1981 een kat in de zak te hebben gekocht.

Het is niet ongebruikelijk dat voormalige zakenrelaties van Fiorini en Paretti na enig aandringen erkennen dat ze ondanks de slechte reputatie van het Italiaanse tweetal hun achtergronden nooit onderzochten. CLBN financierde de plannen van de Italianen voor gigantische filmondernemingen en dan moest het wel goed zitten, was de redenering.

Volgens het rapport van de Franse parlementaire enquête naar de oorzaken van de grote verliezen bij Crédit Lyonnais, dat vorige maand werd gepubliceerd, blijken Nederlandse zakenlieden soms even slechte reputaties te hebben als Italiaanse collega's. Fiorini en Paretti worden in het rapport 'zwendelaars' genoemd en en voormalig Crédit Lyonnais-topman Jean Deflassieux typeert de Rotterdamse bankiers mr. Piet en Ruud Slavenburg als 'schurken'. Deflassieux vindt Voltaires kenschets van Nederland “Canaux, canards, canailles” uitstekend van toepassing op het Rotterdamse tweetal, dat als voorzitter en lid van de raad van bestuur van Slavenburg's Bank Crédit Lyonnais een rad voor ogen draaide. De Parijse bankier vertelt dat hij mr. Piet Slavenburg persoonlijk buiten de deur van Slavenburg's Bank heeft gezet nadat hij ontdekte dat deze had geregeld dat hij tegelijkertijd een salaris en een pensioen ontving.

In de onder ede afgelegde verklaringen voor de Franse enquêtecommissie komen meer Nederlandse reputaties aan de orde. Zo had Crédit Lyonnais voor de overname van Slavenburg's Bank in 1981 bij de toenmalige president van De Nederlandsche Bank, dr. J. Zijlstra, naar de Rotterdamse bank geïnformeerd. “Die bank is slecht georganiseerd, maar ze is niet slecht”, zou Zijlstra hebben geantwoord. In 1983 ging bankier Deflassieux naar Zijlstra's opvolger dr. W. Duisenberg met de mededeling: “Uw voorganger heeft ons verhaaltjes verteld.” Hij verlangde vervolgens financiële tegemoetkomingen en dreigde anders de Rotterdamse bank te zullen laten vallen, wat tot een faillissement had kunnen leiden. Toen hij in alles zijn zin had gekregen, beloofde Deflassieux Duisenberg 'de onsterfelijkheid van Slavenburg's Bank door haar de naam van Crédit Lyonnais te geven' en noemde hij de Nederlandse autoriteiten 'volkomen keurig'.

De indruk van Deflassieux over de positie van de Fransen die bij de in een zwart-geldschandaal verwikkelde Rotterdamse bank orde op zaken kwamen stellen, is ook tekenend voor reputaties. De Fransen werden volgens hem gezien als 'prefecten van Napoleon': “In dat land aan de oevers van de Rijn en de Noordzee is de Fransman de bezetter.”

Nederlandse betrokkenen hebben zich ook niet gehaast om te lezen wat bij de Franse parlementaire enquêtecommissie over hen of hun zaken is gezegd. De Nederlandsche Bank, accountantskantoor KPMG, andere betrokken accountants, zakenrelaties van Paretti en Fiorini, allemaal hadden ze het rapport van de enquêtecommissie weken na verschijning nog niet in hun bezit. Sommigen gingen er vanuit dat de inhoud van een Frans rapport van een parlementaire enquête niet ernstig genomen diende te worden en één vroeg zich af waarom de Franse Assemblée Nationale geen Engelse vertaling van het stuk kon leveren.