REGEERAKKOORD PvdA/D66/VVD; AOW en de 'duifjesproblematiek'

DEN HAAG, 1 SEPT. Tijdens de besprekingen over het nieuwe kabinet typeerde VVD-onderhandelaar Bolkestein het dossier eufemistisch als de 'duifjesproblematiek'. In het regeerakkoord tussen PvdA, VVD en D66 zijn zulke frivoliteiten verboden en daar staat dan ook: “Waar een grote inspanning nodig en verantwoord is om de AOW voor de lange termijn te waarborgen, is het alleszins redelijk om AOW-toeslagen - indien één van de twee partners jonger is dan 65 jaar - uitsluitend te verstrekken indien het huishouden anders onder het relevante sociale minimum zou zakken”.

Met ingang van 1 januari 1996 zal, voor nieuwe gevallen, alleen een AOW toeslag worden gegeven als het inkomen van de man en vrouw samen lager uitvalt dan het 'sociale minimum'. Bij het debat over de regeringsverklaring bleek gisteren dat met name dit plan op fel verzet in de Kamer stuit. Een meerderheid, waaronder de fractie van regeringspartij VVD, voelt er weinig voor omdat de gevolgen voor de inkomens van deze groep erg negatief uit kunnen pakken.

In 1957 trad de Algemene Ouderdomswet (AOW), de eerste volksverzekering, in werking. Wie in Nederland woont of in loondienst werkt, is verzekerd voor de AOW tot aan zijn 65ste jaar. Wie tussen zijn het 15e en 65ste jaar steeds is verzekerd, krijgt op 65-jarige leeftijd een volledig AOW-pensioen.

Gehuwden (of samenwonenden) met een partner jonger dan 65 jaar hebben recht op een zogeheten toeslag. Deze partner heeft immers nog geen recht op pensioen en het pensioen van de oudste (50 procent van het minimumloon) is onvoldoende voor twee personen. De toeslag is maximaal 50 procent van het minimumloon; zo hebben de twee samen een inkomen gelijk aan het minimumloon. Op het moment dat de jongste partner 65 jaar wordt, vervalt de toeslag en krijgt ook de jongste partner een AOW-pensioen van 50 procent van het minimumloon.

De hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. Heeft de jongere partner een eigen inkomen dan wordt - afhankelijk van de hoogte van het inkomen - de toeslag niet of slechts gedeeltelijk uitbetaald.

Met ingang van 1 januari 1996 komt er een extra toets op inkomen van de AOW'er zelf, meldt het regeerakkoord. Daarbij wordt gekeken naar het AOW en het aanvullend pensioen en volgens Bolkestein kan deze maatregel als een straf “op het goede gedrag van hen die voor een aanvullend pensioen hebben gezorgd”.

Tot voor kort was het AOW-pensioen van de partner die het eerst gepensioneerd werd 70 procent van het minimumloon en gold een toeslag van 30 procent. De totale hoogte van het AOW-pensioen is medio jaren tachtig afhankelijk geworden van het inkomen van de partner.

Het AOW-pensioen is een vast bedrag dat afhankelijk is van het wettelijk minimumloon. De AOW kent verschillende pensioenbedragen; namelijk voor alleenstaanden, éénouder-gezinnen en voor gehuwden of ongehuwd samenwonenden. Voor alleenstaanden geldt een pensioen dat gelijk is aan 70 procent van het minimumloon (1401,03 gulden bruto per maand). Gehuwden of ongehuwd samenwonenden hebben ieder recht op een AOW-pensioen van 50 procent van het minimumloon.

De AOW wordt gefinancierd via het zogenoemde omslagstelsel: de werkenden betalen de premie die de 65-plussers in de vorm van pensioen ontvangen. In juni kregen bijvoorbeeld 2.139.000 mensen AOW. Daarmee was een bedrag gemoeid van 2,6 miljard gulden. Vorig jaar werd in totaal 32,9 miljard gulden uitgekeerd aan AOW. In 1980 ging het om een bedrag van 19,3 miljard gulden.

De relatieve stijging van het aantal ouderen en de relatieve daling van het aantal jongeren - vergrijzing en ontgroening - kunnen de betaalbaarheid van de AOW bedreigen. Het regeerakkoord kondigt dan ook een studie aan over de versterking van het draagvlak voor de financiering van de AOW.

Voor volgend jaar wordt de AOW niet aangepast aan de loonstijging in het bedrijfsleven en voor de jaren daarna voorziet het kabinet-Kok in een halve koppeling. De koopkrachtreparatie voor mensen met alleen AOW of een klein pensioen heeft plaats via een inkomensafhankelijke bejaardenaftrek: hoe hoger het pensioen hoe lager de aftrek.

De pensioenfondsen hebben felle kritiek op de ontkoppeling. In veel pensioenregelingen wordt het AOW aangevuld tot 70 procent van het laatst genoten salaris. Een achterblijvende AOW leidt zo automatisch tot een hoger pensioen en een stijging van de pensioenkosten en daardoor de loonkosten. Het stelsel wordt volgens de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen op zijn kop gezet: Het aanvullend bedrijfspensioen wordt de basis, de AOW de aanvulling.