Openheid is de kracht van cultuur

De culturele sector staan grote veranderingen te wachten. De cultuurportefeuille is ondergebracht bij het ministerie van onderwijs en wetenschappen en zal voortaan door een staatssecretaris worden beheerd. Bovendien zou cultuur 78 miljoen gulden moeten bezuinigen. A. Nuis, de nieuwe staatssecretaris, houdt vanmiddag deze rede bij de opening van het theaterfestival in Den Haag.

Jarenlang stond ik tussen kunst en politiek, met een voet in beide werelden, en daardoor was ik in staat met een zekere kennis van zaken te spreken over het omstreden niemandsland daartussen. Nu ben ik ineens voor de wereld van de kunst de belichaming geworden van de politiek, en bovendien treed ik op dit theaterfestival voor het eerst in die rol op: staatssecretaris van cultuur, media en wetenschap en dus ook van de kunst.

Ik ben me bewust dat dit een echokamer achter mijn woorden zet. Het zijn niet zozeer aansporingen tot meedenken meer, maar aanwijzingen voor wat er met het beleid gaat gebeuren in de komende jaren, en wat de kunst en de mensen in de wereld van de kunst daar beter of slechter van zullen worden.

Ik wil voor alles ingaan op de onrust die de laatste week ontstaan is over de uitslag van de formatie, en die in allerlei variaties lijkt neer te komen op de bezorgdheid dat de belangstelling voor kunst op het Binnenhof tanende zou zijn en dat ze daardoor wat meer uit het hart en naar de rand van de samenleving zou worden gedrukt. De kritiek richt zich daarbij niet zozeer op mijn persoon - nog niet - maar gaat erom dat mijn steek te weinig flonkert en dat ik een te lichte geldbuidel meekrijg.

Een staatssecretaris voor cultuur. Is dat erg? Wordt het cultuurbeleid daar minder belangrijk door? Juist bij de nu gekozen oplossing niet, denk ik. Het probleem begon niet bij de Cultuur, maar bij Volksgezondheid. Al geruime tijd was duidelijk dat dit beleidsterrein in financieel en politiek gewicht zo was toegenomen dat daar een minister hoorde te zitten. Moest er dan voor cultuur maar een staatssecretaris komen bij WVC? De eenvoudigste oplossing, inderdaad. Maar de mogelijkheid zou hebben bestaan dat het cultuurbeleid dan in de context van welzijn en gezondheidszorg minder uit de verf zou zijn gekomen. De al zo lang bepleite terugkeer naar Onderwijs en Wetenschappen - cultuurbeleid in engere zin ingebed in cultuurbeleid in wijdere zin - leek daarom verstandiger, ondanks de verhuizing die ongetwijfeld enige voeten in de aarde zal hebben.

Maar waarom cultuur dan niet in de portefeuille van de onderwijsminister? Ook dat had gekund, maar het is de vraag of de minister van zo'n omvangrijk departement zoveel tijd had kunnen vrijmaken als een staatssecretaris die voldoende tijd aan cultuurbeleid kan geven, en die - anders dan soms gedacht wordt - ook zelf waar nodig zijn stem kan laten horen in de Ministerraad, naast die van een minister die zeer goed weet dat hij ook minister van cultuur is.

Maar mag die staatssecretaris zich dan geen minister noemen in het buitenland? Ik heb dat altijd een wat gekunstelde constructie gevonden. Ik zorg er wel voor dat ze me in het buitenland niet over het hoofd zien, ook al kom ik wat later in de protocollaire rij. Belangrijk vind ik dat de minister van onderwijs zich in het buitenland ook minister van cultuur noemt, dat, als het zo uitkomt, de minister van buitenlandse zaken zich ook minister van cultuur weet. Dan hebben we er al drie. Ik wil maar zeggen: het gaat om het culturele aspect in het hele regeringsoptreden naar buiten. En daarover ben ik hoopvol gestemd.

En hoe zit het met de buidel met goudstukken? Dat is een ernstiger zaak. We hebben te maken met twee tegengestelde bewegingen. De ene is die van bezuiniging: bovenop een erfenis van het vorige kabinet komt een nieuwe aanslag op alle overheidsuitgaven in een grootscheepse poging om door lastenverlichting meer werk en meer bedrijvigheid te scheppen. Het is te verdedigen dat de cultuursector een redelijk aandeel levert in die gemeenschappelijke inspanning. Als die slaagt, zal ook de kunst profiteren van de oplevende economie, in werkgelegenheid en inkomsten. Dat betekent geen miskenning van het belang van de cultuur. Kunst is wel heilig, maar niet op die manier.

Gelukkig is dit niet het hele verhaal. Het regeerakkoord zegt dat er ruimte moet zijn voor nieuwe beleid in de cultuur. De minnen zijn voorshands meer in de publiciteit gekomen dan de plussen. Nee heb je, ja kun je krijgen. Inmiddels heeft het debat over de regeringsverklaring duidelijk gemaakt dat cultuur er niet zo slecht voorstaat. Het kabinet maakt zich sterk om de teruggang te keren. Cultuur begint met een flinke streep voor vergeleken met andere beleidsterreinen. Dat was ook de intentie van het regeerakkoord.

Daarbij kan niet gedachteloos elk gat gedempt worden met wat er extra binnenkomt, met de opzet alles zoveel mogelijk bij het oude te houden. Net zo min als we alles moeten laten afbrokkelen en daarnaast opnieuw beginnen. Zorgvuldig moet worden nagegaan waar het minder kan en waar het anders moet. We kunnen niet alles op de automatische piloot blijven zetten, ook niet tot aan de volgende cultuurnota.

Ik neem daarom even de tijd voor een definitieve beslissing over de meest recente bezuinigingen bij de fondsen, en andere klemmende behoeften voor dit begrotingsjaar, om alles nog eens nauwkeurig te wegen in het licht van de beperkte mogelijkheden. Over een paar weken zal ik die beslissing melden op de passende manier, namelijk in een brief aan de Tweede Kamer.

Dat was de actualiteit. Die knabbelt als steeds altijd aan de tijd voor meer diepgaande beschouwingen over stand van zaken in de kunst. Misschien is dat ook wel goed zó. Als je opdracht heb gekregen verder te bouwen aan een echt huis voor de kunst waarin mensen kunnen wonen, verlies je op slag een andere gave: de almacht van de maker wiens luchtkastelen alleen aan eigen wetten hoeven te gehoorzamen. Politieke macht moet bescheiden zijn, rekening houden met anderen en met het mogelijke. Dat lijkt mij voort te vloeien uit de verantwoordelijkheid van de politiek. Dit is een andere verantwoordelijkheid dan die van de kunstenaar, die voor alles gehouden is heldere beelden te vormen die doordringen in de geest van de anderen en langs die omweg de samenleving kunnen beïnvloeden.

Als kunst haar plaats verdient in het hart van mensen en samenlevingen, dan is het niet als bron van schittering of verfijnd genot, maar omdat de mensen haar nodig hebben om goed te kunnen leven. Die ernst van de kunst, ook van lichte kunsten, komt vaak duidelijk aan de oppervlakte in het werk van mensen in of uit de derde wereld die op het breukvlak van culturen leven, en met alles wat zij in zich hebben proberen een nieuw bezield verband te brengen in de chaos van hun bestaan. Eigenlijk is dat bij elke kunstenaar zo maar bij ons is hun natuurlijke band met hun lotgenoten, hun publiek vaak verstoord doordat onze cultuur zich kan voordoen als een groot warenhuis, vol luxe-artikelen, mode-uniformen en noviteiten, maar met alleen in de kelder een levensmiddelenafdeling. Als je geluk hebt. De schittering van grote roem in de kunst zegt niets ten nadele van de beroemde kunstenaars, want meestal zijn dat ook grote kunstenaars. Maar al te veel schittering en plechtigheid en champagne beneemt eerder het zicht op hun levende kern dan dat het die in het licht stelt. En dezelfde schittering zet die kunstenaars in de schaduw die nog onopgemerkt hun eigen wegen gaan. Laten we dus sober zijn in de entourage van de kunst, en aandacht overhouden voor het onbekende dat niet in de lijn ligt van wat de kenners verwachten en voorschrijven voor de dag van morgen.

Kunstenaars die niet beroemd zijn, maar wel op een persoonlijke manier op zoek naar zichzelf en daardoor naar een zingeving die ook voor anderen wezenlijk kan zijn - dat zijn de laatste woudlopers van onze samenleving. Zij zijn het die in de eerste plaats steun van de overheid verdienen.

Daarom ben ik ook blij te kunnen zeggen dat er schot zit in een regeling langs de hoofdlijnen van het gezamenlijke voorstel van de kunstenaarsorganisaties. Jonge kunstenaars - ook podiumkunstenaars - hoeven straks niet van de vakopleiding via de bijstand naar de omscholingscursus. Ze krijgen een aantal jaren de kans om met een financieel steuntje in de rug een plaats als kunstenaar in de samenleving te verwerven. Dat is een goed begin.

De culturele kracht van Nederland en Vlaanderen ligt in onze openheid, onze uitkijkpositie tussen grotere eenheden, op een kruispunt van veel wegen.

Maar ook daarbij moeten we oppassen voor de schittering van de grote wereldbazar. We moeten ook internationaal naar de kelder waar de levensmiddelen worden verkocht. Dat betekent: alles herleiden tot de eigen taal, tot de eigen schaal. De bomen mogen in de hemel groeien, de wortels staan in de grond.