Omstreden schaakstukken Venafro van na de Romeinen

De afgelopen veertig jaar werden schaakliefhebbers verteerd door twijfel over de herkomst van hun favoriete spel. Volgens de klassieke opvating stamt het schaakspel uit de Oriënt, waar het in de zesde eeuw zou zijn ontstaan. Pas enkele eeuwen later zou Europa er voor het eerst mee hebben kennisgemaakt. In 1932 zette de ontdekking van een reeks schaakstukken uit de derde eeuw in een Romeins graf uit het Zuiditaliaanse Venafro deze theorie op losse schroeven. Het idee dat de Romeinen mogelijk al schaak speelden sloeg in als een bom. Maar onlangs meldden fysici op de Internationale Radiocarbon Conferentie in Glasgow dat de omstreden schaakstukken van Venafro pas van omstreeks de tiende eeuw dateren (Science, 26 augustus). Hoe ze dan in dat Romeinse graf verzeild zijn geraakt blijft vooralsnog een raadsel.

Bij Venafro, in Zuid-Italië, werd in 1932 tijdens graafwerkzaamheden om een put te slaan een kist met menselijke overblijfselen en andere objecten aangetroffen. Daaronder ook een reeks van achttien schaakstukken, gekerfd uit dierlijke botten. Er waren drie lopers bij, drie paarden, vijf pionnen en vier torens. Het belang van de vondst werd pas zeven jaar later onderkend toen de Italiaanse archaeologe Olga Elia de ontdekking aangreep om haar theorie dat het schaakspel al uit de eerste eeuw zou dateren kracht bij te zetten. Ze werd bijgevallen door de archaeoloog Heinrich Fuhrmann, die claimde dat het Romeinse spel 'latrunculi' niets anders was dan een schaakspel.

Nog ingewikkelder werd het toen de internationaal befaamde schaakhistoricus Adriano Chicco in 1953 in een wetenschappelijke publikatie aandacht vroeg voor het feit dat de schaakstukken uit Venafro een frappante gelijkenis vertoonden met typerende Islamitische schaakstukken uit de zevende en negende eeuw. Maar de stukken van Venafro waren immers veel ouder? Volgens Chicco waren ze mogelijk door een Romeinse krijgsheer uit de Oriënt meegebracht. Dan zou het schaakspel dus toch van oosterse herkomst zijn. Helemaal bevredigend was deze verklaring niet, want volgens de heersende opinie zou het schaakspel in de zesde eeuw als 'chaturanga' in India zijn ontstaan en in diezefde tijd voor het eerst in Perzië beschreven zijn. Daarna zouden de Moren het op hun veroveringstochten naar het westen hebben meegenomen, naar Spanje dat in de achtste eeuw werd veroverd en kort daarna naar Sicilië.

Waren de stukken van Venafro dan geen echte schaakstukken? Of waren ze niet zo oud als men dacht? Alleen C-14 datering zou hier uitkomst kunnen bieden, maar de toenmalige technieken waren halverwege de jaren vijftig veel te grof. Men zou honderden grammen been nodig hebben gehad voor de bepaling en dat was uiteraard ondenkbaar. Daarmee zat de zaak muurvast.

Pas in 1987 kwam er beweging in toen een voormalige student van Chicco, de Milanese schaakhistoricus Alessandro Sanvito, de stukken opieuw onderzocht. Inmiddels waren veel verfijndere technieken voor C-14 datering beschikbaar gekomen. Daartoe werd, met toestemming van het Italiaanse ministerie voor cultureel erfgoed, een hoeveelheid van 2 gram bot omzichtig van het zwaarste, 40 gram wegende schaakstuk afgeschraapt. Het materiaal werd naar twee onafhankelijke laboratoria gestuurd, in Napels en Sydney. De uitslag was vrijwel identiek: De stukken zouden dateren uit de periode 885 tot 1017, met een waarschijnlijkheid van 68 procent.

Wellicht zijn de stukken van Venafro het werk van een lokale kunstenaar, misschien ook werden ze door de Saracenen achtergelaten toen die Zuid-Italië in de tiende eeuw prijs gaven. Hoe de schaakstukken in het Romeinse graf belandden blijft de vraag. Maar in elk geval hoeft de geschiedenis van het schaakspel niet grondig te worden herschreven.