O, dr. Johnson in bed te zien, op het eiland Skye!

Samuel Johnson and James Boswell: A Journey to the Western Islands of Scotland and The Journal of a Tour to the Hebrides. Penguin Classics.

Als de avond valt jankt de doedelzak voor hotel Floddigarry op de noordpunt van het eiland Skye zijn neuzelig lied over de zee. Door zijn blaasbalg kent de doedelzak geen menselijke adempauze en zo ontstaat de indruk van die ononderbroken jammerklacht, die over de wateren zweeft. Aan de overkant zijn nog net de contouren zichtbaar van het vasteland van Schotland, de kustlijn van Skye kronkelt zich door de kalme zee, landinwaarts pieken de kartelranden op van de Quiraing, een vulkanisch maanlandschap bewoond door schapen en kraaien.

Naast het hotel staat het huisje van Florry MacDonald, de heldin van Skye, die de voortvluchtige Bonnie Prince Charlie, prins Charles Edward Stuart, na zijn smadelijke nederlaag in de Battle of Culloden in 1746 het leven heeft gered door hem, verkleed als Ierse dienstmeid, in een roeibootje, met omzeiling van de zwaar patrouillerende Engelse kustwacht, naar Skye over te varen. Waar de prins landde ontstond een havenstadje dat men Portree (Koningshaven) noemde, inmiddels een slaperig toeristenplaatsje waar het, afgaand op het luttel aantal scheepjes, met de visserij bar en boos gesteld is.

Met Charles' militaire debacle (zijn huurlingenleger, bestaand uit een ongeregeld zootje Schotse hooglanders, werd door de graaf van Cumberland in een uur tijd in de pan gehakt) hadden de Stuarts de strijd om de Engelse troon voorgoed verloren. Culloden is het Waterloo of het Borodino van Schotland en Charles had de nederlaag aan zichzelf te danken. Zijn mannen waren hongerig (de proviand was per ongeluk in Inverness achtergebleven) en onuitgeslapen (hij had ze per ongeluk een nacht laten marcheren), en zijn ambitieuze, maar dwaze legeraanvoerder koos een totaal verkeerd slagveld uit om de Engelsen te trotseren. Terwijl de kracht van de Schotse hooglanders lag bij de snelle charges uit de bergen, werden ze op de onbeschutte laagvlakte van Culloden bij bosjes neergemaaid door de artillerie van de butcher of Cumberland. Charles droop af met de staart tussen de benen en redde het vege lijf in Florrys roeiboot.

Een kwart eeuw later, in 1773, bezocht de humeurige Engelse essayist, criticus, dichter en lexicograaf Samuel Johnson, begeleid door zijn beroemde Schotse biograaf James Boswell, de Hebriden. Boswell had hem overgehaald zijn vooroordelen over de Schotse barbaren te komen herzien en de oude man had knorrig toegestemd. Beide heren hielden een dagboek bij en zoals Johnson voornamelijk bekend is door de biografie die Boswell over hem schreef, zo is ook dit dagboek alleen lezenswaard als je dat van Boswell als ironisch commentaar ernaast legt.

Zo stipt Johnson zijn bezoek aan de inmiddels middelbare Flora MacDonald maar zijdelings aan. “We werden met de gebruikelijke gastvrijheid ontvangen door Mr. MacDonald en zijn vrouwe, Flora MacDonald, een naam die een plaats heeft gekregen in de geschiedenis, en als moed en trouw als deugden gelden, zal zij met ere worden genoemd.” Johnsons terughoudendheid (als Engelsman diende hij voorzichtig te zijn met lof aan het adres van het Schotse rapalje) wordt door Boswell ruimschoots gecompenseerd. “Het was een beroemde kamer waar we lagen. Het bed van Dr. Johnson was het bed waar de kleinzoon van de ongelukkige koning James II lag, op een van de nachten na de mislukking van zijn overhaaste poging [om de Engelse troon te heroveren, LS] in 1745-46, terwijl hij op de vlucht was voor de afgezanten van de regering, die dertigduizend pond had uitgeloofd voor zijn arrestatie. Dr. Johnson in dat bed zien liggen, op het eiland Skye, in het huis van Miss Flora MacDonald, deed in mijn geest zo'n stortvloed aan ideeën opwellen, als met geen pen te beschrijven is.”

Al is Skye inmiddels een van Schotlands toeristische attracties, het eiland is nog steeds heel dunbevolkt. Waar je ook de hoogte in klimt, overal schittert de zee en schemeren eilanden met fantasienamen als Rhum, Raasay en Uist. En als de zee even om de hoek verdwijnt, stuit je wel weer op een zwart loch, dat lonkt met zijn diepe gronden. Is er zelfs geen loch te bekennen, dan ruist er een ijskoud riviertje of een kleine waterval. En in de kroegen hangen rode Schotten boven hun whisky (wat net als wodka watertje betekent) en brommen onverstaanbaar in hun baard. “They never become aggressive”, zegt de waardin, “they just drop dead.”

Klimmen doet Johnson niet. Hij sjokt per pony over de militaire wegen en paden en moppert er lustig op los. Hij zit boordevol afgrijzen over de primitieve en barbaarse Schotten en is telkens weer verbaasd als hij netjes wordt ontvangen door de lairds, de clanhoofden die zich uitputten om het hun zeldzame gast naar de zin te maken. Gaandeweg krijgt hij meer waardering voor de hooglanders. Hij vindt het onredelijk dat ze na de nederlaag van Culloden allemaal hun wapens hebben moeten inleveren en maakt bezwaar tegen de beestachtige verhoging van de pacht, die de boeren massaal tot emigratie dwingt.

Boswell is na afloop dik tevreden. Op 29 augustus schrijft hij: “Vandaag hebben we de ruïnes van het kasteel van Macbeth bezocht. Het was een grote romantische bevrediging voor mij Johnson op de klassieke plaatsen van Shakespeare in Schotland te zien; wat ik echt als even onwaarschijnlijk heb beschouwd als dat 'Birnam wood would come to Dunsinane'.”

Bij hotel Florridale stapt de bagpiper nog steeds doedelend heen en weer. Hij huilt en jankt en zeurt. Toen Johnson in 1773 bij Sir Alexander Macdonald dineerde, pijpte hij ook al. Een oudere tafelgenoot geeft tekst en uitleg bij het lied. Toen de Macdonalds van Glengary eens beledigd waren door de inwoners van Culloden, besloten ze wraak te nemen. Ze kwamen op zondag naar Culloden en troffen hun vijanden tijdens de eredienst. “Ze sloten hen op in de kerk, die ze in brand staken; en dit, zei hij, is de melodie die de piper speelde terwijl zij in brand stonden.”