Harde kern Europa bepleit, met Benelux

BONN, 1 SEPT. Een kleine stabiele kern van vijf à zes landen die bereid en in staat zijn om te voldoen aan de eisen van monetaire en politieke integratie volgens de verdragen van Maastricht moet een voortrekkersrol in de Europese Unie gaan spelen. Frankrijk en Duitsland zouden de motor van zo'n kern moeten zijn, de Benelux-staten de andere leden. Dit geldt te meer nu Nederland “zijn vroegere sceptische houding” jegens zo'n Frans-Duitse motorfunctie “heeft herzien” en dus ook sterker bij geïntensiveerd EU-overleg tussen Parijs en Bonn zou kunnen worden betrokken.

Dit schrijft de Bondsdagfractie van de CDU/CSU, de grootste Duitse regeringspartij, in een vanmorgen door haar fractieleider Wolfgang Schäuble gepresenteerde studie over mogelijkheden om de stagnatie in het Europese integratieproces te doorbreken.

Het CDU/CSU-stuk, in hoofdzaak opgesteld door Bondsdagspecialist Karl Lamers, verschijnt twee dagen nadat de Franse premier Edouard Balladur pleitte voor een kleine EU-kern onder Frans-Duitse leiding. In een gesprek met deze krant zei Lamers dinsdag dat hij over zijn voorstellen de afgelopen maanden geregeld in Parijs heeft overlegd.

De CDU/CSU wil niet alleen de doelmatigheid en daadkracht van de EU vergroten maar ook haar democratisch gehalte. Namelijk door het Europese Parlement nauwer te betrekken bij de voorbereiding van de EU-toetsingsconferentie in 1996 en het bij de controle van het Europese integratieproces een ten minste gelijkwaardige rol te geven in vergelijking met de nationale parlementen.

Pag.5: Bonn pleit voor kerngroep in de Europese Unie

Dan zou er ook een beter evenwicht komen tussen de principiële gelijkwaardigheid van alle landen aan de ene kant en de verhouding tussen het aantal stemmen en de (nationale) bevolkingsomvang anderzijds (Duitsland heeft met 80 miljoen inwoners de grootste groep leden in het Europarlement, red.).

De voorgestelde kerngroep moet geen doel op zichzelf maar middel zijn. Andere leden van de EU kunnen voorlopig een “lagere snelheid” aanhouden, de CDU/CSU spreekt hier van “variabele geometrie”. Zij blijven welkom - het stuk noemt Italië, Spanje en “vanzelfsprekend” Groot-Britannië met name - om zich aan te sluiten bij het volle integratieproces, zodra zij daartoe bereid en in staat zijn. Maar zij mogen géén vetorecht hebben op de vorming van zo'n kerngroep. Daarom moet de unanimiteitsregel in de Europese ministerraad tenminste op dit stuk worden veranderd.

Volgens de CDU/CSU kan de vorming van zo'n kern de verdieping van de Unie dienen en daarmee ook een baken zijn voor de uitbreiding (verbreding) ervan. Op die manier kunnen de verdieping en de verbreding zelfs met elkaar worden verbonden en een door angsten van burgers bepaald “regressief nationalisme” in Europa worden tegengegaan. Zo kan ook worden voorkomen dat Duitsland als sterkste Europese staat in een verwaterde Unie, of een intergouvernementeel “Europa à la carte”, weer in zijn oude “aparte” Mittenlage belandt. Met alle ongewenste hegemoniale verlokkingen die dan weer zouden dreigen.

Juist nu het verenigde Duitsland in Oost-Europa weer politieke ruimte én verplichtingen heeft gekregen, is de verdieping van de Unie nóg belangrijker geworden. Ja, de “oude vraag” van de integratie van Duitsland in Europa en in de Westelijke politiek-culturele 'waardengemeenschap' krijgt nu zelfs “haar eigenlijke betekenis”. Het CDU/CSU-stuk waarschuwt voor de “vooral in intellectuele kringen herlevende tendenzen in de richting van een Duitse Sonderweg” nu de VS na het einde van het Oost-Westconflict niet meer dezelfde rol in Europa kunnen spelen.

De wens van Duitslands oostelijke buren om toe te treden tot de EU is, net als bij nieuwe toetreders als Oostenrijk en Zweden, immers al “in niet onbelangrijke mate” bepaald door de vrees voor een te grote afhankelijkheid van de Bondsrepubliek. Maar dat risico “kan alleen worden bezworen in een Europa dat méér is dan een vrijhandelszone”, heet het. Daarbij moet worden bedacht dat “de monetaire unie de harde kern is van de politieke unie” en géén toegift. Omdat in '97 of '99 nog maar een klein aantal landen zal voldoen aan de criteria voor toetreding tot de EMU, leidt ook dat in de richting van een kerngroep.

De Frans-Duitse as komt hier voor een vuurproef te staan, nu in Frankrijk de vrees leeft dat het toch al vergrote Duitsland aan een “naar het noorden” (en met Oostenrijk) uitgebreide Unie “een beslissende machtsvergroting” overhoudt. Maar ook daarom zal Frankrijk juist de keuze vóór een geintegreerde EU-politiek moeten maken. Namelijk zowel wat betreft zijn opvattingen over de onaantastbare soevereiniteit van de État Nation (die allang “een lege huls” is volgens de CDU/CSU) als op het gebied van economische politiek (landbouw, industriepolitiek, mededinging - “één Europees kartelbureau zou zéér gewenst zijn” - en de toekomstige “financiële grondwet” van de EU). En voorts ook inzake de verhouding tussen de NAVO en de Europese defensie, waarover in de Frans-Duitse defensieraad nu “eindelijk eens” principieel moet worden gesproken.