Erytropoietine herstelt bloedarmoede donor na donatie

Bij steeds meer patiënten worden, voorafgaand aan een geplande operatie, één of meer zakjes bloed afgenomen voor eigen gebruik. Met een dergelijke autologe bloeddonatie hoopt men zelfs het kleinste risico op een besmetting via vreemd bloed uit te sluiten. Helaas blijken veel van dergelijke mensen tijdens hun operatie toch nog vreemd, homoloog, bloed nodig te hebben. Dat komt soms omdat er onvoldoende autoloog bloed is afgenomen, maar vaak ook omdat de patiënten door de bloeddonatie een bloedarmoede hebben gekregen, die in de paar weken tot de operatie niet heeft kunnen herstellen. Dan is de autologe bloeddonatie weinig zinvol. Artsen uit het Ziekenhuis Eemland in Amersfoort hebben nu aangetoond dat die bloedarmoede na een bloeddonatie voorkomen kan worden met erytropoietine (humaan recombinant-erytropietine, rhEPO). Erytropoietine is een uit de nier afkomstig hormoon dat de bloedaanmaak stimuleert (The Lancet, 6 aug.)

In het Ziekenhuis Eemland kreeg de helft van 95 patiënten die een heupoperatie moesten ondergaan, injecties met rhEPO na een autologe bloeddonatie. De rest van de patiënten kreeg niets. Alle patiënten kregen ijzertabletten om een eventueel ijzertekort aan te vullen. De groep die níet met rhEPO behandeld werd, vertoonde bij de operatie een duidelijke bloedarmoede. Bij 7 patiënten was die zelfs na afgifte van één zakje bloed al zo erg dat zij verder geen bloed meer konden afstaan. (Normaal wordt er in de weken voor de operatie twee keer een zakje met 450 ml bloed afgenomen.) In de groep patiënten die wél rhEPO hadden gekregen, was het bloed daarentegen geheel hersteld tegen de tijd dat zij geopereerd werden. In 54% van de gevallen was er zelfs helemaal geen transfusie nodig, ook niet van eigen bloed. In de niet behandelde controlegroep had 89% van de patiënten een autologe bloedtransfusie nodig en 36% had daarbij zelfs ook nog homoloog bloed nodig. In de EPO-groep was dat laatste percentage slechts 10. rhEPO blijkt dus niet alleen de bloedarmoede na een autologe bloeddonatie geheel te corrigeren, maar het middel maakt dus ook dat er in veel minder gevallen extra vreemd bloed moet worden toegediend.

In het algemeen werd er tijdens de operatie een bloedtransfusie gegeven als de patiënt meer dan een halve liter verloren had en het volume rode bloedcellen onder de norm was. Die beslissing werd overigens genomen door de anesthesisten, die verder niet bij het onderzoek naar rhEPO betrokken waren.

Op het eerste gezicht zou men uit deze resultaten kunnen concluderen dat voortaan maar beter iedereen die bloed afgegeven heeft erytropoietine kan krijgen. Een probleem is echter dat rhEPO zo kostbaar is. De onderzoekers vinden daarom dat het middel alleen gegeven moet worden aan die autologe bloeddonoren waarbij verwacht kan worden dat ze ook nog een homologe transfusie nodig zullen hebben. Ze denken daarbij aan patiënten met een klein bloedvolume (vrouwen!), waarbij een bloedverlies wordt verwacht van minder dan 2 liter. Bij een groter te verwachten bloedverlies is een homologe bloedtransfusie onontkoombaar.