Een papieren lynchpartij

AMSTERDAM. Een korte laan met eentonige flats in de Amsterdamse Rivierenbuurt draagt nog zijn naam. Er is een populair zwembad met glijbanen en een immense lichtkoepel, met in de hal een oude koperen plaquette: 'Strijder voor het volkswelzijn'. Maar pas vorig jaar verscheen zijn werkelijke monument: de magistrale biografie van Monne de Miranda van de hand van de oud-burgemeester van Eindhoven, G.W.B. de Borrie.

Salomon Rodrigues de Miranda behoorde, met Wibaut en Van Hall, tot de belangrijkste Amsterdamse stadsbestuurders van deze eeuw. Hij was de motor achter de grote stadsuitbreidingen tussen de twee wereldoorlogen. Toch werd hij in 1939 via een zorgvuldig geregisseerde campagne ten val gebracht, iedereen keerde zich tegen hem en zijn politieke einde was bitter - en, achteraf, onverdiend. Borrie's biografie kan zo gelezen worden als een case-study van het verschijnsel publieke karaktermoord. Alle elementen komen erin voor, en die elementen zijn van alle tijden: de vijanden, de motieven, het onbewaakte ogenblik van de hoofdpersoon, het momentum, de pers, de vermenging van leugens en waarheden en de kortstondige explosie van dit alles.

De Miranda's val werd veroorzaakt door een reeks artikelen in De Telegraaf, waarin zijn zoon - en daarmee ook hijzelf - beticht werden van een mogelijke fraude bij erfpachttransacties. Het nieuws sloeg in als een bom. Er werd door de gemeente een onderzoek ingesteld, waaruit De Miranda's zoon inderdaad niet brandschoon tevoorschijn kwam. De Miranda zelf werd echter van iedere verdenking gezuiverd. Maar het kwaad was toen al geschied. De Miranda bleek niet opgewassen tegen het wekenlange bombardement van aantijgingen, stortte geestelijk in en verdween voorgoed uit het politieke centrum.

De verschillen tussen de wethouder van toen en de hoofdcommissaris van een halve eeuw later zijn groot, maar de overeenkomsten zijn nog opvallender. In beide affaires valt op met welke verbijsterende snelheid een degelijke reputatie kan worden afgebroken - wat iets zegt over de betrekkelijkheid van reputaties, maar ook over de effectiviteit van een papieren lynchpartij. Beiden hadden een grote staat van dienst opgebouwd binnen de stad. De Miranda met zijn woningbouw, Nordholt door de reorganisatie van het politiekorps, dat hij binnen enkele jaren wist om te vormen van een soort bezettingsmacht tot een open, sociaal gerichte organisatie - een wonderbaarlijke transformatie voor iedereen die weet wat voor een verziekt en gesloten bolwerk de Amsterdamse politie voor zijn aantreden was.

Beiden waren daarbij dwars door alle verhoudingen heengedaverd, en dat had hun handenvol vijanden opgeleverd. De Miranda was een felle man, hij schoffeerde regelmatig zijn collega-raadsleden en de Amsterdamse middenstand kon zijn bloed wel drinken wegens zijn goedkope woningbouw. Nordholt kon evenmin zijn mond houden. Hij verweet politici hun passiviteit ten aanzien van de jeugdwerkloosheid. Hij joeg Den Haag tegen zich in het harnas door categorisch te weigeren op illegalenjacht te gaan. Hij frustreerde de relatie tussen Nederland en de Antillen door zijn - achteraf bevestigde - onthullingen over misstanden en ernstige schendingen van mensenrechten bij de Antillaanse politie. En diverse malen bracht hij het departement van justitie tot grote woede door te wijzen op het feit dat een belangrijk deel van de Amsterdamse straatcriminaliteit te wijten was aan de Haagse labbekakkerigheid om voor voldoende cellen te zorgen - wat gewoon waar was, maar door een ambtenaar niet gezegd behoorde te worden. De hoofdcommissaris was, kortom, een typische klokkenluider, en daarmee loopt het meestal niet goed af.

Dan waren er de directe motieven. De Miranda had achter de schermen ernstige meningsverschillen met de directeur van 'zijn' toen al machtige dienst Publieke Werken over de woningpolitiek van de gemeente. Nordholt had mensen ontslagen, diensten gereorganiseerd en toen de IRT zelf dreigde uit te groeien tot de grootste importeur van soft drugs en cocaïne van Nederland maakte hij daar op hardhandige wijze een eind aan door de hele organisatie op te blazen. Iedereen die het Nederlandse kastesysteem enigszins kent wist toen dat de Amsterdamse hoofdcommissaris, op welke manier dan ook, 'gepakt' zou worden. Hij ging te ver, hij was te lastig, hij werd te populair en hij kreeg teveel invloed.

Over de affaire De Miranda kwam Borrie, na bestudering van vrijwel al het nog voorhanden zijnde materiaal, tot de conclusie dat hier duidelijk sprake was van een succesvol 'opzetje' van de Dienst Publieke Werken - die pertinent van deze wethouder afwilde - en de hoofdredacteur van De Telegraaf, J.M. Goedemans, die bepaald niet wars was van anti-semitische en NSB-neigingen.

Wat de hoofdcommissaris betreft zullen we op het spitwerk van een tweede Borrie moeten wachten, maar zelfs een kind beseft dat de jongste onthulling over het benoemingscontract van de hoofdcommissaris niet toevallig exact in de week voor de kabinetsformatie werd gelanceerd. Hier moest even afgerekend worden.

In de affaire Nordholt vallen twee eigenschappen van dit platte land op ongelukkige wijze samen: de collectieve hekel die opbruist wanneer iemand zijn kop te ver boven de heg uitsteekt, en de gretigheid waarmee zowel politiek als pers en publiek werkelijke schandalen met de mantel der onnozelheid plegen te bedekken, omdat die het nationale zelfbeeld van rust en orde te zeer verstoren. Terwijl de hoofdcommissaris terugvecht - in tegenstelling tot De Miranda heeft hij blijkbaar besloten om al schietend en met de vlag in top ten onder te gaan - vindt het ene opvallende incident na het andere plaats. Onder auspiciën van politie en justitie blijkt voor honderden miljoenen aan drugs verhandeld te zijn - genoeg voor het financieren van een complete, geheime politieorganisatie; de Nederlandse Antillen ontwikkelen zich tot de belangrijkste drugsconnectie tussen Zuid-Amerika en Europa, de Romeinse mafia kan ongestoord een Utrechtse pizzaketen als cover gebruiken, een van de belangrijkste Italiaanse pentito's blijkt hier vast te zitten en wordt om onduidelijke redenen niet uitgeleverd, politiekorpsen chanteren elkaar, de Amsterdamse politie dreigt weer terug te vallen in haar oude kwalen, bij ministers, officieren van justitie, politiemensen en journalisten wordt ingebroken en afgeluisterd, hetzij door criminelen, hetzij door losgeslagen type's van het ontbonden IRT, hetzij door concurrerende politie-organisaties. Het begint in Nederland naar Italiaanse toestanden te ruiken, een uiterst gevaarlijk en explosief mengsel van chantage en intimidatie, gebaseerd op een hecht verband tussen de georganiseerde criminaliteit en verborgen machten binnen de staat. In dit brave land blijken op dit moment geheime netwerken aan de gang zijn die buiten iedere democratische controle vallen, en dat is wel even iets anders dan een hoofdcommissaris die een te grote mond heeft. En dat is niet meer een kwestie van geheime bijlages van doofpotrapporten, maar een zaak voor een grondige, openbare, parlementaire enquête. In een volwassen democratie hebben burgers het recht om te weten.