Deplorabele Turkse democratie is oorzaak van de Koerdenkwestie

In Turkije loopt al enige tijd het proces tegen zes parlementsleden van de Koerdische partij DEP. Zij worden beschuldigd van hoogverraad. Op de Opiniepagina van 9 augustus beschuldigde Erik Jurgens de Turkse regering ervan een vreedzame oplossing van het Koerdische probleem onmogelijk te maken. Een Nederlandse voormalig consul-generaal en een Turkse zaakgelastigde geven hun reactie.

De opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van gedeputeerden van de Koerdische partij DEP door het Turkse parlement, het verbod van de DEP door het Constitutionele Hof en de arrestaties van Koerdische parlementsleden wegens hoogverraad hebben meer verontwaardiging gewekt dan alle rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch en andere mensenrechtenorganisaties bij elkaar.

De opwinding over de schendingen van mensenrechten zou bijna doen vergeten dat Turkije in de regio de enige functionerende parlementaire democratie is waar de kiezer reële politieke alternatieven worden geboden, verkiezingen volgens de regels verlopen en ook outsiders de gelegenheid krijgen aan de macht te komen, zoals de recente gemeenteraadsverkiezingen liet zien. Deze bezorgden de islamitische Welzijnspartij voor de eerste maal overwinningen in Istanbul en Ankara. De sociaal-democratische SHP die als regeringspartner vrijwel niets van zijn programma wist waar te maken, werd vrijwel weggevaagd. De Welzijnspartij krijgt nu de kans te laten zien dat zij de corruptie en inflatie de baas kan.

De toegang tot het systeem kent één belangrijke beperking: partijen die de eenheid of veiligheid van de staat in gevaar brengen - een begrip dat zeer ruim wordt uitgelegd - zijn grondwettelijk verboden. Op misdrijven tegen de eenheid van de staat staat zelfs de doodstraf. Tientallen schrijvers, journalisten, politici, vakbondslieden en wetenschappers die op een of andere wijze in artikelen, lezing of boeken de officiële visie op de Koerdenkwestie ter discussie stellen, zitten in de gevangenis.

De huidige regeringscoalitie heeft van zijn beloften voor democratische vernieuwing en mensenrechten vrijwel niets gerealiseerd. Zelfs is de situatie op sommige gebieden belangrijk verslechterd: verdwijningen en 'mysterieuze moorden' zijn aan de orde van de dag. Oppositie tegen mensenrechten vindt men niet alleen in het veiligheidsestablishment. In het parlement torpedeert een conservatief blok alle pogingen tot hervormingen, daarin gesteund door een publieke opinie die, als gevolg van de oorlog in het zuidoosten, steeds meer verhardt. De Koerdenkwestie is een gevolg van de staat van de democratie in Turkije en niet omgekeerd zoals men van officiële zijde graag doet geloven.

Wanneer Erik Jurgens in deze krant schrijft “maar helpen we de Koerdische autonomie door ze (de Turken) er uit (uit de Raad van Europa) te gooien”, dan roept hij daarmee een andere vraag op: is het probleem de Koerdische autonomie of gaat het om al diegenen - parlementariërs en anderen - die vanwege hun opinie of overtuiging worden vervolgd. Als schrijvers, journalisten en politici vrijuit gebruik kunnen maken van de ook in de Turkse grondwet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting, kan een politiek klimaat ontstaan waarin veranderingen mogelijk worden.

Openlijk druk uitoefenen op Turkije, al dan niet met het dreigement “ze er uit te gooien”, zal de oppositie tegen democratische hervormingen slechts versterken, temeer als zij het stigma dragen te zijn afgedwongen door het Westen. Worden deze bovendien nog gekoppeld aan de Koerdische kwestie, dan wordt de 'Koerdische autonomie' de slechtst denkbare dienst bewezen.

Dit wil niet zeggen dat het Westen zich beter niet met democratische hervormingen in Turkije kan bemoeien. Een werkelijk democratisch Turkije is ook los van humanitaire overwegingen een strategisch westers belang. Maar een daarop gericht beleid moet berusten op de Turkse realiteit en niet op wishful thinking. Die realiteit is dat druk in de vorm van sancties en boycotts de anti-democratische oppositie sterkt, en het aan chauvinisme grenzende Turkse nationalisme aanwakkert. Nu al ziet men dat anti-westerse sentimenten toenemen, steeds meer hoor je, ook van Turkse vrienden, dat het Westen Turkije wil verzwakken en opsplitsen ten gunste van een onafhankelijk Koerdistan. Dit zijn emotionele reacties maar daarom niet minder relevant. Een teken aan de wand is de opkomst van de uiterst rechtse MHP die hoge ogen gooit als toekomstige regeringspartner.

De gevestigde politieke orde ziet zich, gezien de stemming in het land en de opstelling van het veiligheidsestablishment, genoodzaakt de Koerdische kwestie tot een terreurprobleem te reduceren, dat in de eerste plaats met militaire middelen moet worden opgelost. Dat als gevolg van deze opstelling de fundamenten van de democratie worden aangetast en Turkije zich daarmee steeds verder van het Westen verwijdert, wordt op de koop toegenomen. Tot dusver is er geen politiek leider die zich openlijk inzet voor politieke hervormingen. Politici in de regering en de oppositie die zich bewust zijn van een dreigend isolement van het Westen, zijn gemarginaliseerd of tot zwijgen gebracht. Bezorgdheid heeft plaats gemaakt voor een stemming van verbittering en hulpeloosheid die anti-westerse groeperingen in de kaart speelt. In Turkije is een vestingsmentaliteit aan het ontstaan die dialoog over mensenrechten ziet als een concessie aan Westelijke druk. Typerend is de zeer negatieve reactie van premier Çiller op het Amerikaanse besluit de militaire hulp te verminderen vanwege mensenrechtenschendingen. Ankara zou heel wel de komende maanden kunnen besluiten zijn internationale verplichtingen te negeren.

Turkije is kortom hard bezig zichzelf eruit te gooien, hetgeen alleen maar tot een verdere verslechtering van de mensenrechten kan leiden. Een zinnige dialoog over mensenrechten wordt met de dag moeilijker, maar dit mag geen reden zijn Turkije de rug toe te keren. Bedreiging met isolement is zoals gezegd een doodlopende weg maar dat betekent nog niet dat er geen andere meer effectieve wegen zijn Turkije te helpen het gehalte van zijn democratie te verbeteren. In het zuidoosten, waar het Koerdische probleem is geconcentreerd, zijn werkloosheid en armoede relatief hoog. Turkije pompt vooral de laatste jaren veel geld in dat gebied dat echter, als gevolg van de oorlog, bijna geen rendement oplevert. Miljarden dollars worden geïnvesteerd in een gigantisch dammenprojekt voor de ontsluiting van een gebied ter grootte van België. Dit is een enorme prestatie van een land waar het gemiddelde inkomen nog geen 2.500 dollar bedraagt.

Turkije verwijt het Westen en in het bijzonder Europa, goed te zijn om de kastanjes uit het vuur te halen ter verdediging van diens strategische belangen: Korea, koude oorlog, Golfoorlog en de boycott van Irak (die de Turkse economie nog steeds zwaar belast), maar als het zelf in de problemen zit aan zijn lot te worden overgelaten. Turkije ziet het als Europese hypocrisie wanneer het buurland vele miljarden uit Brussel ontvangt, terwijl het zelf, vanwege een veto van datzelfde buurland, al tien jaar wacht op de 600 miljoen Ecu die het associatieakkoord toezegt. Het vindt het ook moeilijk te accepteren dat het vooruitzicht van een associatieakkoord op toetreding tot de EU steeds verder achter de horizon verdwijnt, terwijl landen die er economisch niet beter aan toe zijn dan Turkije voorrang krijgen.

Turkije verkeert in een crisissituatie. De slechte economische toestand met hoge inflatie en werkloosheid veroorzaakt veel sociale ellende. De oorlogssituatie in het zuidoosten, die al naar schatting een miljoen mensen heeft ontheemd, bedreigt de interne stabiliteit. Massieve westerse hulp voor dit gebied, aanvullend op de Turkse ontwikkelingsinspanning en verbonden met verbetering van de democratie en mensenrechten, zou meer dan alle verklaringen in de Raad van Europa en elders de Turken ervan kunnen overtuigen dat het Westen Turkije als vriend en bondgenoot naar waarde weet schatten en tegelijkertijd de Koerden en de mensenrechten een grote dienst bewijzen.