De kleine tijger

Sociologische Gids 1994 (4) Tijdschrift voor sociologie en sociaal onderzoek Jaarabonnement ƒ 80 (voor studenten en aio's ƒ 57,50), losse nummers ƒ 20,- Uitgeverij Boom Postbus 400 7940 AK Meppel, tel. 05220-57012.

Hong Kong - door een klein zeestraatje van anderhalve kilometer gescheiden van het immense Chinese vasteland - was een onaanzienlijk eiland van zo'n 40 vierkante kilometer toen er in januari 1841 de Britse vlag werd gehesen. Koningin Victoria vond de verovering van dit nietige vlekje op de wereldkaart wel geestig - alweer een titel voor haar dochter die zich nu ook 'prinses van Hong Kong' kon noemen - maar anderen waren diep teleurgesteld. Men had zich verbeeld dat in het kader van de 'opiumoorlogen' héél China onder de voet werd gelopen en dat het land kon worden opengesteld voor kooplieden en zendelingen. Nu moest men genoegen nemen met een vrijwel kale rots, waar niet veel anders mee gedaan kon worden dan het neerzetten van wat huizen, magazijnen en dranklokalen...

Zo schetst het augustusnummer van de Sociologische Gids, tijdschrift voor sociologie en sociaal onderzoek, het ontstaan van de Britse kroonkolonie. Voor sociologen vormt de 'kleine tijger', zoals de economische grootmacht wel liefkozend wordt genoemd, fascinerende materie. Auteur Lodewijk Brunt verbaast zich over het feit dat de extreme bevolkingsdruk op dit kleine eilandje (25.000 tot 30.000 inwoners per vierkante kilometer) allerminst leidt tot de sociale uitwassen en chaos die je zou verwachten.

Brunt schetst het beeld van een zinderende stad, een stad die onder je ogen verandert. Dat komt door de rusteloze bouwaciviteiten, die dag en nacht doorgaan en het eiland tot het allerlaatste hoekje met wolkenkrabbers bedekken. Het economische wonder manifesteert zich al vanaf de jaren vijftig in groeicijfers van gemiddeld zeven procent en zowel overheid als bedrijfsleven investeren op grote schaal in het handhaven en verbeteren van de openbare voorzieningen.

Sinds 1950 is de bevolking van Hong Kong elke tien jaar met een miljoen mensen gegroeid tot een totaal van zes miljoen. In de wijk Mong Kok alleen al wonen 200.000 mensen op twee vierkante kilometer en daarmee is dit onbetwist de dichtstbevolkte wijk ter wereld. Niettemin blijkt Hong Kong betrekkelijk veilig, met een vrij laag niveau van straatmisdaad en weinig geweld.

Brunt wijdt dat deels aan de organisatie van de stad en deels aan een aantal typische Chinese waarden. Hij noemt de perfecte organisatie die het openbaar vervoer in de overvolle stad tot een wonder van efficiency en snelheid maakt. Op elke 250 inwoners loopt een politieagent rond en overal in de openbare ruimte roepen bordjes ('Verboden te spuwen') de inwoners op tot correct gedrag. Om een maximum aan efficiency te bereiken draaien vele organisaties in de stad (waaronder banken en verzekeringskantoren) dag en nacht op volle toeren. Marktkooplieden draaien zesploegendiensten. De man in de nachtploeg verhuurt zijn bed aan een lid van de dagploeg en vice versa. Als er één stad is die nooit slaapt, dan is het Hong Kong.

In de tweede plaats zoekt Brunt de verklaring in een aantal typisch Chinese trekjes. Zo noemt hij de opvallende tolerantie ten aanzien van geluidhinder. Hong Kong is de lawaaiigste stad ter wereld, alleen al vanwege het onophoudelijke geraas van opstijgende en landende vliegtuigen. Maar waar het begrip 'straatrumoer' voor veel Europeanen een enigszins ongunstige connotatie heeft, moet het Kantonese equivalent yit naau eerder vertaald worden als 'uitgelaten', 'vrolijk' of 'levendig'.

Daarnaast beschrijft Brunt de tolerantie voor een hectisch sociaal verkeer - soms wel vijf generaties onder één dak - en de frappante beheersing van de emotionele interactie: Met vreemden ga je geen emotioneel geladen contacten aan en daarmee worden veel ruzies en conflicten in de overvolle straten voorkomen. Mensen gedragen zich in de drukte ingetogen en gedisciplineerd.

Vanuit deze overgeorganiseerde bijenkorf belandt de lezer van de Sociologische Gids met een rauwe dreun in het tweede verhaal, een smeuïge beschrijving van straatroverspraktijken in het centrum van Amsterdam. Vooral rond het Centraal Station en op het Damrak worden nietsvermoedende toeristen massaal het slachtoffer van beroving. Enthousiast dissen de jeugdige daders tegenover auteur Gert Vogel tal van psychologisch goed doordachte trucs op om de juiste buitenlanders te selecteren ('dàt is de prooi') en te grazen te nemen om dan vlug in het labyrinth van stegen te verdwijnen. Het is altijd prijs en de kans om gesnapt te worden is minimaal.