Alfa's en bèta's

Zoals de meeste alfa's heb ik voor bèta's de grootst mogelijke bewondering. Die bewondering ontstaat al op de middelbare school wanneer na de vierde klas de bokken zich scheiden van de schapen en de knapsten van de klas zich bekennen tot de bèta-beginselen. Al snel leven zij in een geheel eigen wereld, die voor de buitenstaander gesloten is, een wereld van kolven en retorten, cijfers en sommen, berekeningen en vergelijkingen, grafieken en statistieken, tableaus en tabellen. Men zou kunnen denken dat de dagelijkse omgang met deze wonderkinderen - bij sport en spel bijvoorbeeld - dit ontzag enigszins zou doen slijten, maar dat is niet zo. Ons ontzag en onze bewondering voor de bèta's zijn onuitroeibaar.

De reden daarvoor is in de eerste plaats de ontoegankelijkheid van hun werk. Iedere bèta kan desgewenst zonder veel moeite een historisch, sociologisch of zelfs juridisch werk lezen. Zij doen dat soms ook wel eens, vooral geschiedenisboeken. Zij zijn daar doorgaans zeer trots op en willen je graag vertellen wat er in staat. Het omgekeerde is echter niet het geval. Wellicht zijn er onder de alfa's nog enkele late uomini universali die proberen de Scientific American bij te houden, maar verder dan de wetenschapsbijlagen van de dagbladen zullen de meesten van ons niet komen. Ik moet trouwens tot mijn schande bekennen dat ik zelfs deze meestal al ongelezen laat. Dit gedrag is gebaseerd op een simpele redenering: als het artikel van belang is, zal ik het wel niet begrijpen en als ik het begrijp, zal het wel niet van belang zijn. Het is geen fraaie houding, maar het scheelt wel veel tijd.

Soms bekruipt mij wel eens enige twijfel. Zijn zij echt allemaal wel zo knap? Die bèta-proefschriften zijn soms wel erg dun. Zij promoveren allemaal en aan de lopende band. Kan het dan wel zo goed zijn? Zij kunnen toch niet allemaal even knap zijn? Maar gelukkig blijkt mijn twijfel op dit punt misplaatst. Ik legde dit probleem namelijk eens voor aan een bèta-collega en die legde het graag uit. Dat die proefschriften zo dun zijn, komt doordat zowel de auteur als de lezers zo knap zijn dat zij maar een paar woorden nodig hebben om iets uit te leggen of te begrijpen. En dat iedereen promoveert, komt doordat alleen de allerknapsten aan de studie beginnen. Ik vond dit heel overtuigend. Wat ik toen nog vergat te vragen, was waarom er soms wel zesendertig auteursnamen boven een artikeltje van zes bladzijden staan, maar ook daar bestaat ongetwijfeld een goede verklaring voor.

Wij hebben echter niet alleen ontzag voor de bèta's omdat zij zo knap zijn, maar ook omdat de mensheid zoveel aan hen te danken heeft. Wij kunnen niet zonder ze. Wij danken aan hen ongeveer alles wat ons leven verrijkt: pillen, prothesen en preservatieven, kunstijs, kunsthars en kunstledematen, gas en licht, eten en drinken, de atoombom en de neutronenbom, de kernraket en de kruisraket, het gat in de ozonlaag, de zure regen, het broeikaseffect en nog veel meer. Zonder wetenschap en techniek kunnen we niet meer. De genees- en natuurkundigen verlengen ons leven, verzachten onze pijnen, spijzigen de hongerigen en verrichten nog vele andere werken van barmhartigheid.

In een wereld vol dompers en ignorantijnen, een wereld die belaagd wordt door fundamentalisten en obscurantisten, belijd ik dan ook ferm het credo van rationalisme, positivisme en sciëntisme. Leve de wetenschap, de echte wetenschap, de bèta-wetenschap! Die waardering, zo vind ik, moet ook in de praktijk blijken. Als iemand mij vraagt of ik vind dat een sanskritist evenveel moet verdienen als een internist, een historicus hetzelfde als een chemicus, een classicus niet minder dan een fysicus, dan zeg ik luid en ferm en krachtig: “Nee, natuurlijk niet, de helft is meer dan genoeg.” En dat gebeurt gelukkig ook.

Als iemand vraagt: “Vind je ook niet dat er veel meer geld naar de bèta- dan naar de alfa-wetenschappen moet gaan?', dan zeg ik volmondig en vol overtuiging: “Ja, zeker, natuurlijk, veel meer, heel veel meer, tien keer zoveel minstens.” En ook dat gebeurt gelukkig.

Wat mij alleen soms enigszins tegenvalt in het gedrag van sommige bèta-collega's is hun reactie als het eventjes een beetje tegenzit. Enige tijd geleden besloot de Leidse universiteitsraad een miljoen te verschuiven van de bèta-faculteiten naar de andere. Eén miljoen, dat was vroeger een bedrag waar bij scheikunde de student-assistent over besliste. Eén miljoen op honderdvijftig miljoen, dat merk je toch niet. Maar nee hoor, de bèta-bestuurders schreeuwden moord en brand. De wetenschappelijke wereld werd bedreigd. Het aanzien van de universiteit, van Nederland, ja van Europa, stond op het spel. De toekomst van ons land was in gevaar. Als er in plaats van zesenzestig nog slechts zestig AIO's zich met het zoeken naar het absolute nulpunt, het zwarte gat of het transgene kistkalf zouden bezighouden, konden we het in dit land wel vergeten. “Moet dat nu zo”, placht freule Wttewaal, geloof ik, in zulke gevallen, te zeggen. Op de tien miljard die we alleen al in Leiden na de oorlog aan bèta-onderzoek hebben uitgegeven kan dat ene miljoen toch niet zoveel uitmaken.

Waar het op neerkomt, zo lijkt het, is dat het eigenlijk nooit genoeg is. A.L. Rowse uit Oxford heeft dit eens fraai beschreven: “Science (...) once admitted (...) absorbed all available funds, like caterpillars eating up the cabbage leaf.” Nu zit je in Oxford of Cambridge al gauw met tien Nobelprijswinnaars aan tafel. Maar in Nederland? De laatste Nobelprijs aan een Nederlandse universiteit was die van Zernike, maar dat is al heel lang geleden. De enige recente was die van Tinbergen, maar dat was een econoom.

Wat mij het minst bevalt in deze klachten is overigens niet de misplaatste zelfoverschatting - die is onvermijdelijk - maar de behoefte om andere vakken te kleineren. Laten wij toch eens inzien, zo riep de decaan van de medische faculteit in zijn afscheidstoespraakje uit, dat Leiden slechts twee onderzoeksfaculteiten heeft, de medische faculteit en die van wis- en natuurkunde, en dat de internationale reputatie van de universiteit bepaald wordt door die twee. De rest is alleen maar goed om les te geven. Nog bonter maakte het een wetenschapscolumnist, die schreef dat de naam van ons land in de wereld afhangt van het bèta-onderzoek.

Kom nu toch! De internationale reputatie van Nederland wordt bepaald door Cruyff en Gullit, Rembrandt en Van Gogh, Erasmus en Grotius, maar met die laatste twee, alfa's overigens, zit je al bij de fijnproevers. En de reputatie van Leiden wordt meer bepaald door Thorbecke en Huizinga dan door Lorentz en Kamerlingh Onnes, hoe belangrijk die ook zijn. Laten wij ophouden met dit kinderachtige gedoe over wie het beroemdst of belangrijkst is en met de bèta-faculteiten een simpele afspraak maken: voor ieder jaar zonder Nobelprijs gaat er een miljoen af, voor iedere Nobelprijs komt er tien miljoen erbij. Rules of ten, daar houden ze immers van.