Niet-westerse oude muziek steeds overweldigend

Holland Festival Oude Muziek met o.a. het Shenai Ensemble Daya Shankar en het Kathakali Ensemble uit India, het Trio Liudvig Garibian uit Armenië en het Ensemble Mbanga Nkotese uit Zaïre. Gehoord: 26 t/m 30/8, RASA, Utrecht. Herhaling: het Kathakali Ensemble t/m 1/9 in RASA, Mbanga Nkotese & Ensemble: 3/9 Opera, Gent, 18/9 KIT, Amsterdam.

“Er is geen algemeen onderscheidend verschil”, (tussen niet-westerse en wel westerse oude muziek) schrijft directeur Frans de Ruiter van het Festival Oude Muziek in een inleiding in het programmaboek. Meent hij dat nou? Waarom staan de niet-westerse artiesten oude muziek dan allemaal in RASA, en niet tussen de fortepiano's, countertenors en viola's d'amore ? De concentratie van de 'rest van de wereld' in één zaal valt des te meer op omdat de niet-westerse oude muziek net zo divers blijkt te zijn als de westerse, en het net als die hebben moet van conservators en sponsors.

Oude muziek wordt gekoesterd in veilige enclaven, niet alleen in Keulen of New York maar ook in de derde of zoveelste wereld. Want ook de niet-westerse 'man in de straat' is de oude muziek al lang vergeten, zo hij die al ooit heeft gehoord. In India zwijmelt hij bij filmliedjes en 'hindipop' en in Kinshasa en bij de Zaïrese populaties van Parijs en Brussel is de 'soukous' razend populair: hitsige dansmuziek met een discodreun.

Dat er uit de niet-westerse wereld met goed zoeken niettemin best nog wat 'traditioneel' talent bij elkaar te sprokkelen valt, bleek de afgelopen vijf dagen in RASA, dat bijna elke dag uitverkocht was. Het uit India afkomstige ensemble van shehnaispeler Daya Shankar beleefde een ongelukkige start met veel riet en stemmingsproblemen maar raakte volgens oorgetuigen later beter in vorm. De shehnai, een hobo-achtig houten dubbelriet met een kleine metalen beker, is een lastig te besturen instrument. Lukt het, dan vliegt de luisteraar met de speler mee naar hogere sferen. Gaat het mis, dan doet het geluid onvermijdelijk denken aan benarde katten. Bij de uit Armenië afkomstige dubbelrietblazer Liudvig Garibian vergeet men bijna te ademen, vooral wanneer hij de 'doedoek' bespeelt. Collega Armenak Hovhanissian zorgt circulair ademhalend voor een doorgaande grondtoon waarop Garibian met een zacht en houtachtig geluid telkens weer een prachtig lied weet te zingen. Opvallend eenduidig is daarbij de sfeer; of het nu over pratende vogeltjes gaat, of over mislukte of geslaagde liefdes, het klinkt allemaal uiterst treurig. En als Garibian tegen het eind de buitengewoon penetrante 'zurna' pakt, een equivalent van de Indiase shenai en een paar hupse dansjes speelt, lijkt het vrolijkheid met een dubbele bodem: 'we lachen wel, maar het doet veel pijn'.

De met 'pimba' beschilderde leden van het Mbanga Nkotese Ensemble van de Ekonda (Zaïre) leken zo uit een donker bos geplukt, en waren dat misschien ook wel. Hun 'ballet' bestond uit rommelig uitgevoerde rudimentaire bewegingen waarbij wat met roeden werd gezwaaid, de polyfone zangpartijen hadden niet de beoogde hallucinerende werking. Dat lag niet aan de kwaliteit van de stemmen, maar aan een ongelukkige balans plus de begeleiding van de twee 'bokwasa' spelers die hun houten schrapers in één tempo eindeloos ta/tititi lieten zeggen. Het publiek ging al gauw op andere dingen letten, bijvoorbeeld wat er verborgen zat onder de raffia rokjes van de dertien mannen. Dat was heel gevarieerd - van een simpel zwart voetbalbroekje met contrasterende bies tot een rijkbebloemde bermudashort met opgerolde pijpen.

Bij het uit New Delhi afkomstige Kathakaliensemble dat gisteravond Keechaka Vadhamò speelde, een deel uit het beroemde Mahabharata-epos, was de aankleding overweldigend. Vooral Keechaka zelf, de schurk van het verhaal, is een monument. Hij torst een masker vol glitter en kleur en draagt aan zijn linkerhand puntige nagels van roestvrij staal. Nog opvallender is zijn hoepelrok met een doorsnee van minstens twee meter die gelukkig niet tot de grond reikt, zodat men goed zijn voetenwerk kan zien. Bevallig als hij de schone Malini met charme wil lijmen, driftig stampend als hij zijn toevlucht neemt tot grof geweld. Ook het voeten- en vooral handenwerk van de andere spelers is fraai gestileerd. De zingende vertellers achter het speelvlak hebben goede stemmen, de twee slagwerkers aan de zijkant spelen schitterend. Nu eens lopen zij vooruit op wat de acteurs doen, dan weer geven ze bliksemsnel commentaar, zoals aan het eind wanneer het laatste gereutel van de stervende Keechaka een echo krijgt in zachte ratels op de grote trom. Het is artistieke interactie in zijn meest overtuigende vorm: lustig, losjes en hevig levend.

Het Kathakali-ensemble neemt de tijd, maar voor wie kijken en luisteren wil is de lange zit lonend. Dat voor een ereboogtafereel twee festivalvrijwilligers op een keukenstoel moeten klimmen en dat de de verplichte bourdontoon uit een elektrisch doosje komt, moet iedereen maar voor lief nemen. Zo'n groep professionals uit India is al begrotelijk genoeg.