Kitsch en camp

Lust & Gratie, 11de jrg. nr 42. 125 blz. ƒ 15. Postbus 18199, 1001 ZB Amsterdam

Lust & Gratie introduceert in Nederland een groepje jonge, experimentele Oostenrijkse schrijfsters dat samenwerkt onder de naam Das fröhliche Wohnzimmer. Sinds 1989 bracht hun uitgeverij - met dezelfde naam - zo'n vijfentwintig bijzonder vormgegeven titels uit. Redactrice Truusje van de Kamp vergelijkt Das fröhliche Wohnzimmer met het literaire activiteitencentrum Perdu in Amsterdam. De doelstellingen formuleert Van de Kamp aldus: “Door deze experimenten met het verschil tussen fantasie en werkelijkheid, door een spel met de taal of door taaloperaties, trachten de Oostenrijkse schrijfsters kortom de barrière tussen henzelf, de taal en de wereld op te heffen, in de hoop dat bepaalde niet eerder uiteengezette wijzen van denken en zien worden geopenbaard en een andere oriëntatie op de werkelijkheid, een veranderlijke betrekking tussen de taal en de waarneming ontstaat.”

Uit 35 bladzijden met vertaald werk krijgt de lezer een wat concretere indruk van de 'Autorinnen' van Das fröhliche Wohnzimmer. Petra Ganglbauer schreef een programmatische verklaring ('Wellicht dat we de vrouwelijke schrijfwijze moeten zien als het ontstaan zelf, als het rijk van de overgangen'); Krista Kempinger, Christine Huber en Karin Schöffauer droegen poëzie bij; het proza kwam van Patricia Brooks, Liesl Ujvari en Ilse Kilic. Margreet de Boer maakte alle vertalingen. Gelukkig lieten de schrijfsters de meeste van hun teksten niet verpesten door overmatig theoriegebruik.

Redactrice Xandra Schutte opent dit zomernummer met een opmerkelijk stuk over kitsch en camp bij Anna Blaman. Volgens Schutte stralen de foto's van Blaman een dubbelzinnigheid uit, een tegenstrijdigheid die óók te vinden is in haar romans, in haar imago, haar leven, en in de waardering die ze kreeg. Zonder zich te verschansen achter de veilige borstwering van de professionele literatuurcriticus zet Schutte op een speelse manier haar opinie neer. “De ongeloofwaardigheid, onwaarschijnlijkheid, vaagheid en misschien zelfs de kitsch, maken juist dat haar werk mij nog steeds zo boeit. Ik vind haar boeken mooi lelijk. Liefhebbers en versmaders bestookten elkaar in de jaren vijftig, en andermaal in de jaren tachtig, verbeten met tegengestelde, elkaar uitsluitende argumenten. Maar bij Blaman komen de tegenstellingen samen, worden kunst en kitsch, verhevenheid en platvloersheid, waarachtigheid en maskerade verenigd. De sleutel: camp. Haar onnatuurlijke, nadrukkelijk kunstmatige romans, vol grote woorden en grote gebaren zijn camp. (-) Zelfs de aandoenlijke foto's van Blaman en het portret van zuster B. vervullen mij met de tedere ironie die zo bij camp past.”

Verder: gedichten van Miriam Van hee, Monique ter Berg en Barber van de Pol; en een artikel van Marnel Breure over slavernij in fictie van hedendaagse zwarte auteurs.