Wetsvoorstel over kopiëren is een juridisch gedrocht en achterhaald; Reprorecht slecht af met wetsvoorstel

Wie een fax verstuurt weet meestal niet of het faxnummer met een computer of een faxapparaat is verbonden. Als het wetsvoorstel reprorecht wordt aangenomen pleegt men in het eerste geval een strafbare handeling, en in het tweede geval niet.

André Beemsterboer van de Stichting Reprorecht geeft toe dat zijn incasso-stichting een eenzijdige bevoegdheid krijgt om vast te stellen welke bedragen door kopiërende instellingen moeten worden betaald (NRC Handelsblad, 8 augustus), maar suggereert dat daarvan alleen sprake is als de kopieerder alle medewerking weigert. Dit is geen juiste weergave van de bevoegdheden die zijn Stichting op basis van het wetsvoorstel zou krijgen. Ook als de kopieerder wel medewerking verleent, maar er tussen hem en de Stichting geen overeenstemming tot stand komt over de vergoeding, heeft Reprorecht altijd de mogelijkheid de hoogte van het bedrag eenzijdig vast te stellen. Vervolgens geldt voor de kopieerder dan een omgekeerde bewijslast: hij moet dan maar zien aan te tonen dat hetgeen de Stichting suggereert niet klopt. Als dit niet lukt, rest hem niets anders dan betalen.

De kopieerder wordt door het wetsvoorstel in een zwakke positie gedrongen. In de praktijk zal het veelal ondoenlijk zijn aan te tonen dat de Stichting Reprorecht het bij het verkeerde eind heeft. Kopieerders zullen een exacte administratie van de gemaakte kopieën (en verzonden faxberichten!) bij moeten houden. Dit is een onmogelijke zaak, alleen al omdat in de praktijk nauwelijks vast te stellen is voor welke kopieën wel en voor welke niet hoeft te worden betaald. Zelfs auteursrechtdeskundigen zijn het daarover niet eens. Er blijft de kopieerder weinig anders over dan de eenzijdige schattingen van de Stichting maar te slikken.

De discussie over de grens tussen fotokopiëren en elektronisch kopiëren en het volgens het wetsvoorstel totale verbod op elektronisch kopiëren (inclusief privé-kopiëren!) is in kringen van computergebruikers met verbijstering en ongeloof ontvangen. Het volgende voorbeeld illustreert de krankzinnige situatie die hierdoor ontstaat. Het via de fax vermenigvuldigen van auteursrechtelijk relevant materiaal is volgens het wetsontwerp toegestaan. Het kopiëren van dezelfde tekst naar een elektronisch, oftewel computerbestand is verboden. Dit onderscheid is door de praktijk echter achterhaald: een faxbericht kan immers óók door een computer ontvangen worden. De tekst wordt dan niet afgedrukt, maar op het scherm getoond, en valt daarmee onder het verbod op elektronisch kopiëren.

De verzender van het faxbericht weet echter vaak niet of het faxnummer met een computer of een faxapparaat wordt verbonden, en weet dan ook niet dat hij door het verzenden van het bericht een verboden handeling pleegt. Ondanks deze onduidelijkheden wordt van de eenvoudige kopieerder toch verwacht dat hij precies kan bijhouden wat hij mag verveelvoudigen en voor welke kopieën hij een vergoeding moet betalen.

Bestaande wetgeving loopt meestal achter bij de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Als de Eerste Kamer zou besluiten het wetsvoorstel alsnog aan te nemen gaan realiteit en wet nog verder uit elkaar lopen en zullen de ontwikkelingen van nieuwe technieken voor het verspreiden van informatie worden belemmerd. Dit terwijl in andere recente wetgeving de positie van nieuwe technieken juist wordt erkend en versterkt.

De enige conclusie over dit wetsvoorstel is dat - in tegenstelling tot wat de Beemsterboer ons wil doen geloven - er wel degelijk van een juridisch monstrum sprake is. Een voorstel voor een wet die in de ontwerpfase al totaal achterloopt op de maatschappelijke en technische praktijk van alledag, dient dan ook verworpen te worden.