Festival Oude Muziek aanstekelijk geopend met opéra comique

Festival Oude Muziek: Les Musiciens du Louvre en solisten o.l.v. Marc Minkowski e.a. Programma: Rameau, Suite uit Hippolyte et Arcicie; Jean-Joseph Mouret, les Amours de Ragonde. Gehoord: 26/8, Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht

Gisteravond werd het dertiende Holland Festival Oude Muziek geopend zoals dat al jaren gaat. Eerst strooit stadsbeiaardier Arie Abbenes zijn carillonklanken uit over de stad, deze keer hevig beconcurreerd door een zware regenbui. Daarna mag het Utrechts Klokkenluidersgilde de binnenstad een half uur lang onderdompelen in een feestelijk klokkengebeier. En intussen duiken uit alle straten en steegjes de stoffen tasjes met het festival-logo en het dikke programmaboek weer op.

In alle stilte begon vanochtend trouwens al het symposium over de dubbele rietinstrumenten (hobo en fagot en hun kwakerige voorlopers). En onofficieel werd het koopavond publiek op donderdag al verrast door de zogenaamde alta capella's, kleine blazersensembles van vier eeuwen her die uitsluitend in de buitenlucht speelden.

Het echte openingsconcert was gisteravond om acht uur in Vredenburg. Het Franse gezelschap Les Musiciens du Louvre van de jonge dirigent Marc Minkowksi speelde een suite uit Hippolyte et Aricie van Rameau en een half-aangeklede opvoering van Les amours de Ragonde van Jean-Joseph Mouret.

Een paar jaar geleden werd er door menige rechtgeaarde festivalganger nog schande gesproken van Minkowski's diva-achtige zangers in een Händel-opera, dus dat beloofde wel wat voor deze avond. Ook nu wist hij er weer iets bijzonders van te maken. Voor de pauze had het ensemble met Rameau al bewezen hoe fris en vrolijk de Franse barokmuziek gespeeld kan worden. Eenmaal gewend aan de akoestiek van de overigens lang niet uitverkochte Grote Zaal van Vredenburg, kreeg de suite een inspirerend agressieve klank.

Het werk van Mouret, dat te boek staat als de eerste opéra comique, was een waar feest. De humor van deze operette in spe, vol halve en onbegrepen liefdes, was eigenlijk nogal plat, maar daardoor niet minder aanstekelijk. Dat was vooral te danken aan de keuze van de zangers. De forse Michel Verschaeve, een beetje kalend aan de slapen, voor de gelegenheid gestoken in een knalblauwe sopranenjurk, speelde de vrouwelijke hoofdrol en trad uiteindelijk in het huwelijk met het minuscule tenortje Jean-Paul Fouchécourt.

Mooi gezongen werd er slechts bij vlagen, maar daar ging het niet om. Er werd met de stem geacteerd. En het orkest zorgde voor een schitterende begeleiding. Het publiek was zo enthousiast, dat het zich, opgejut door de dirigent, liet verleiden tot het meezingen van de kluchtige slotscène die werd gebisseerd.