Hillstreet blues op kronkeldijkjes

SNEEK. Om half vier, in het uur van de wolf, verschijnt het eerste leven weer op de weg: een melkrijder, de post, de auto's van de Telegraaf. Maar voor die tijd ligt er een diepe sluimering over het Friese platteland, en het enige dat in de dorpen beweegt zijn de katteogen, dozijnen kleine groene lichtjes over de weg.

Ik ben op patrouille met brigadier Riekele Bekkema van het district De Meren van de politieregio Friesland, en samen vormen we vannacht het enige overheidsgezag in de platte driehoek die vlakbij Harlingen en Leeuwarden begint, en ergens bij Staveren eindigt, zo'n vijftienhonderd vierkante kilometer van boerderijen, landwegen, campings en dorpen.

Sneek heeft nog een eigen surveillancewagen, maar daar waren wat personele problemen, en bovendien hadden ze binnen een paar uur drie KZ-gevallen op hun dak gekregen: een huilende vrouw, een man die zijn hele huis aan het verbouwen was en nog een derde geval. “Zeker het weer”, zegt Bekkema, die is opgetrommeld om zijn collega's in Sneek te helpen. De vrouw is al afgevoerd, de man wacht in de cel op de GGD-dokter die ergens uit de provincie vandaan getoverd moest worden. Voor we op pad gaan zie ik hem zitten op de monitor, hevig gesticulerend met hoofdagent Tineke Talma. Het politiebureau is voor de rest uitgestorven, op een arrestantenwacht na. “Zelfs al staat iemand hier op de stoep: alles loopt na zessen via de centrale meldkamer in Leeuwarden. Die sturen er dan een wagen heen.”

Er komt een melding binnen uit Warns, veertig kilometer verder: vernielingen aan auto's. Tineke blijft bij de man in de cel, Bekkema jakkert naar Warns, zeker een half uur rijden. “Je kunt soms aardig uit de richting zijn”, vertelt hij onderweg. “Als ik in Weidum zit, en er is een steekpartij in Staveren, dan ben ik toch al gauw drie kwartier onderweg. Mijn collega's uit de naburige districten draaien na zo'n melding hun neus ook wel in mijn richting, maar in het begin sta je er toch altijd alleen voor. Want aan de andere kant is de zee, en daarvandaan hoef je echt geen hulp te verwachten.” De avondlucht is lichtblauw, met donkergrijze wolkenbanen.

In Warns blijken de 'vernielingen' aan de 'auto's' te bestaan uit drie nauwelijks zichtbare krasjes op de Opel van twee bejaarde vakantiegangers, maar Bekkema vindt dat het recht zijn loop moet hebben: hij weet, na enig zoeken, een brutaal jongetje van de dorpsstraat te plukken, zijn moeder wordt toegesproken, er wordt proces-verbaal opgemaakt, de school zal worden ingeschakeld, maar het zal lastig worden de schade vergoed te krijgen. “Daar zitten we mooi mee”, zucht de bejaarde vrouw.

Kwart voor negen: een klusje in Bolsward, een ruzie over een voetbal. In het vlakke land draaien de windmolens langzaam op de avondwind. Op de stoep zit een nijdig groepje zestienjarige jongens met honkbalpetjes en wijde broeken, en achter het raam van een erker staat een boze oude man naast een bange, invalide vrouw. De man had de bal van de jongens in beslag genomen, omdat die een paar keer in zijn voortuin verzeild was geraakt. De vrouw zit zacht te jammeren: “Die jongens tikken met flessen op de ramen, straks breken ze in, ze steken misschien wel de boel in brand, ik zit de hele middag al in de zenuwen, je hoort toch zoveel!”. Bekkema verovert de bal terug, spreekt de jongens ernstig toe. “Maar waar moeten we dan voetballen?”

Half tien: twee jongens worden voor de zoveelste keer van een sportterrein gejaagd. “Mijn eerste standplaats was IJlst”, vertelt Bekkema. “Ik kende er alle jongens tussen de twaalf en de twintig. Als er een bushokje vernield was wist ik meestal precies waar ik het moest zoeken. De afgelopen jaren zijn we samengevoegd en geregionaliseerd tot we erbij neervielen, maar die jongens ken ik niet meer.”

Tien uur. We trekken ons terug op het lege politiebureau van Bolsward. Bekkema doet het nodige schrijfwerk, ik lees de dagrapporten van het weekend door. In Workum was een fiets gestolen - 'Heb idee van de dader, wordt nagetrokken.' Een zekere Klaas K. was aan het bureau geweest om aangifte te doen van een mishandeling door een zekere Rommert F. 'Rommert vertelde getuige K. dat de kop van K. hem niet aanstond en ja, dan moet je iemand in elkaar trappen.' In het Julianapark was een man opgepakt wegens het betasten van twee minderjarige meisjes en het houden van schunnige praatjes, 'dit geheel conform de aard van de verdachte'. Uit de Poeisz Supermarkt in Bolsward was een pakje sigaretten van ƒ 4,60 gepikt. De later aangehouden daderes 'reageerde met waterlanders'.

Elf uur. Brigadier Tineke Talma is klaar met haar KZ-klus - “Zoiets kost je al gauw een halve dag aan geregel en papierwerk. Als je op een avond tegen een verhanging aanloopt kun je de rest van je dienst wel vergeten, en vaak nog een stuk van de dag erna. En als er een dronken 'zes-en-twintiger' over de weg komt zwaaien ben je ook niet jarig: bloedproeven, rijbewijs innemen, midden in de nacht een hulpofficier opduikelen en dan moet je ook nog zo'n arrestant zien kwijt te raken.”

De dorpen zijn stil en donker geworden, en we rijden kris-kras door de streek: Weidum, Mantgum, Oosterend, Spannum. In Scharnegoutum stoppen we bij een boerderij. Brandlucht. We schijnen in de schuren en de stallen, de waakhond begint te blaffen, maar verder is er niets te vinden. Achterin de politieauto liggen grote stafkaarten van het buitengebied met zijn dijkjes en landweggetjes - de regio's zijn nu zo groot dat grote stukken ook voor de doorsnee politieman terra incognita zijn geworden.

Twaalf uur. Een klusje in Oosterwierum. In het enige huis waar nog licht brandt zit een ontdane jonge vrouw. Moeder te logeren gehad, ruzie gekregen, moeder was met haar boze kop de weg opgelopen, een bus kon ze niet meer nemen, misschien liep ze nu wel door het land te dwalen. We beloofden naar haar uit te kijken.

Eén uur. Op het politiebureau van Sneek vindt de traditionele nachtelijke eetpauze plaats met de teams van Joure en Sneek. Er zijn kroketten, frikadellen en slaatjes uit de naburige snackbar, en er wordt gesproken over bijklussen, seks en promotie. Twee uur. We rijden door de zuidwesthoek. De maan staat hoog in de lucht, en uit de sloten en meren trekt een dikke nevel op. “Mist”, mompelt Bekkema. “In het najaar kan het hier 's nachts potdicht zitten. Het enige dat dan je kunt doen is bidden dat je geen melding krijgt.” Op een weggetje bij de IJsselmeerdijk krijgen we een achterligger. We wachten, maar opeens draait de auto om en rijdt met gierende banden de andere kant op. “Deugt niet”, mompelt Bekkema en zet de achtervolging in. We jakkeren over de kleine kronkeldijkjes door het half-mistige land, Tineke roept door de mobilofoon om assistentie, maar de dichtstbijzijnde collega zit meer dan dertig kilometer weg.