LINUS PAULING (1901 - 1994); Baanbrekend, omstreden geleerde en activist

De Amerikaanse chemicus Linus Pauling, die afgelopen vrijdag op 93-jarige leeftijd in zijn woonplaats Big Sur (Californië) overleed, was een veelzijdige, gecompliceerde persoonlijkheid die zowel op wetenschappelijk alspolitiek gebied baanbrekend werk verrichtte. Als enige in de geschiedenis won hij twee ongedeelde Nobelprijzen: voor Chemie in 1954 en voor de Vrede in 1962. Tegelijk is zijn naam verbonden aan controverses en smaadprocessen.

Pauling, die in Oregon temidden van veel armoede opgroeide, begon zijn wetenschappelijke loopbaan in 1923 aan het California Institute of Technology (Caltech) in Pasadena. Hij promoveerde er op baanbrekend kristallografisch onderzoek met behulp van röntgendiffractie. Het leverde hem tegelijk zijn eerste wetenschappelijke ruzie op: de Britse onderzoeker Bragg, die de techniek van de röntgendiffractie introduceerde, werd volkomen genegeerd. Het procédé zou nog vaak voor conflicten zorgen: Pauling die met andermans idee aan de haal gaat, er iets briljants aan toevoegt en bij publikatie 'slordig' is met bronvermeldingen.

In Paulings wetenschappelijke loopbaan is de periode 1925-1935 verreweg de belangrijkste. Als eerste chemicus in de geschiedenis wist hij de zojuist in de fysica ontwikkelde quantummechanica van Heisenberg en Schrödinger op te pikken en met succes op de theorie van de chemische binding toe te passen. Uiteindelijk resulteerde dit werk in 1939 in zijn magnum opus: The nature of the chemical bond. Typerend voor de pragmatische instelling van Pauling was, dat grondslagendiscussies over de interpretatie van de quantummechanica hem een gruwel waren. Je rekende ermee en daarmee uit.

Halverwege de jaren dertig verschoof Paulings wetenschappelijke belangstelling zich richting biologie. Zo deed hij onderzoek naar het denatureren van eiwitten, de peptide-binding en naar anti-lichamen. Als een vlinder fladderde hij van onderwerp naar onderwerp. In het voorjaar van 1948 ontdekte hij op een hotelkamer, al spelend met een reep papier, de alfaspiraal: een van de twee peilers van de bouw van eiwitten. Met zijn onderzoek naar sikkelcelanemie, een erfelijke afwijking van hemoglobine die terug te voeren is op een gen-mutatie, introduceerde hij het begrip 'moleculaire ziekte'. De dubbele DNA-spiraal van Watson en Crick miste hij op een haar doordat zijn röntgenfoto's te slecht van kwaliteit waren.

Herfst 1940 was in Paulings leven een keerpunt. Een nierontsteking werd hem bijna fataal. Zijn arts, de 'communist' Addis, schreef hem een vleesloos, proteïne-arm dieet voor, aangevuld met een dagelijkse dosis vitamine C van 100 gram. Het was in deze periode dat Paulings belangstelling voor politiek werd gewekt. Begonnen bij Hoover, met als tussenstap de New Deal van Franklin D. Roosevelt, zwenkte hij aan het eind van de oorlog naar links. De dreigbrieven die hij ontving toen hij weigerde zijn Japanse tuinman te ontslaan, speelden daarbij een voorname rol.

Juist in het McCarthy-tijdperk nam Paulings politiek activisme een hoge vlucht. Hij repte van “een glorieuze toekomst” en van “vrede”, begrippen die al snel geassocieerd werden met vuige communistenpraat. Hij stond graag in de schijnwerpers. Het kwam hem in de pers op beschuldigingen van zelfverheerlijking te staan. Als repercussie van zijn gedrag werd zijn paspoort ingenomen en pas na druk van de wereldopinie kreeg Pauling in 1954 toestemming persoonlijk zijn eerste Nobelprijs in ontvangst te nemen.

Paulings activisme richtte zich in de eerste plaats tegen kernproeven. Zijn ideeën, neergelegd in het boek No More War! (1958), veroorzaakten enorme opschudding. In 1961 was hij betrokken bij de organisatie van een internationale conferentie tegen kernwapens in Oslo. Later ontving John F. Kennedy telegrafisch 'een laatste waarschuwing'. Het belette Pauling overigens niet op een feestje van Nobelprijswinnaars bij de president thuis de show te stelen door met Jackie een dansje te wagen terwijl hij diezelfde middag nog voor de deur van het Witte Huis had staan demonstreren.

Negatieve reacties van vakgenoten op zijn politiek activisme brachten Pauling er uiteindelijk toe Caltech te rug toe te keren. Na een zwerftocht langs diverse instituten riep hij in 1974, toen pensionering dreigde, het Linus Pauling Institute of Science and Medicine in het leven. Het medisch establishment zag de onorthodoxe wetenschapper niet gaarne komen. Van een objectieve discussie over het nut van mega-doses vitamine C was bijvoorbeeld geen sprake. Paulings boek Vitamin C and the Common Cold werd in 1970 verdeeld ontvangen. Harde bewijzen ontbraken en ook Paulings arrogantie deed de zaak geen goed.

In Cancer and Vitamin C (1979) ging Pauling nog een stap verder: vitamine C zou kanker genezen. Maar onderzoek van de Schotse arts Cameron, co-auteur van dit boek, werd op methodologische gronden sterk bekritiseerd. Toen Paulings naaste medewerker Arthur Robinson bij proeven met muizen vond dat vitamine C het aantal tumoren juist bevorderde, werd deze buiten de deur gewerkt.

Al spoedig kreeg het debat trekjes van een geloofsstrijd. Pauling claimde dat vitamine C de sterfte aan kanker met driekwart kon reduceren. In 1991 werd vastgesteld dat Pauling aan prostaatkanker leed. Hij reageerde met de bewering dat zijn consumptie van vitamine C ontwikkeling van de ziekte mogelijk met twintig jaar had vertraagd.