Onder de schemerlamp of in de schijnwerpers; De strijd tegen de zwaartekracht van Horowitz en Richter

De pianisten Sviatoslav Richter en Vladimir Horowitz zijn altijd elkaars tegenpolen geweest. Richter heeft een heilig ontzag voor de componist, Horowitz paste wel eens een compositie aan zijn stijl aan. Onlangs verschenen van beiden cd-boxen. Een keuze tussen Horowitz' tintelende toucher of Richters resolute klank is bijna niet te maken.

Horowitz: The Complete Masterworks Recordings; 13 cd's (Sony, SX13K 53 456); prijs ca. ƒ 450,-, ook los te koop. Richter: The Authorized Recordings; 21 cd's (Philips, 442 464-2); prijs ca. ƒ 550,-, nog niet los verkrijgbaar. Harold C. Schonberg: Vladimir Horowitz. De Biografie. Uitg. Panta Rhei, 389 blz. Prijs ƒ 49,90

De zwaartekracht bepaalt het verschil tussen een goede en een slechte pianist. Kleinere talenten leveren een altijddurend gevecht met de wetten van de gravitatie, een gevecht dat ze ondanks al hun geploeter steeds weer zullen verliezen. Echte pianogoden weten de zwaartekracht te overwinnen, al doen ze dat niet allemaal op dezelfde manier. Glenn Gould bijvoorbeeld kroop dicht tegen de zwaartekracht aan. Zijn pianokruk stond zo laag, dat zijn handen een beetje schuin omhoog naar de toetsen moesten rijken. Hij hoefde zijn vingers slechts een fractie op te tillen, waarna ze als het ware vanzelf op de toets neerploften om een mooie, heldere toon te produceren.

Ook Vladimir Horowitz en Sviatoslav Richter, van wie recent prachtige cd-boxen verschenen die een goed overzicht geven van hun carrière, hebben ooit tegen de zwaartekracht gestreden. Ze wonnen, maar op een tegengestelde manier.

Horowitz negeerde eenvoudig de zwaartekracht. Hij had een manier van spelen waarvan iedere pianopedagoog gruwde. Zijn vingers stonden vrijwel horizontaal op de toetsen. En omdat de laatste vingerkootjes iets naar boven krulden, leek het wel alsof de vingers telkens uit de toetsen omhoog sprongen, in plaats van erin neer te dalen. Hij had de laatste jaren zijn eigen Steinway, die voortdurend met hem meereisde. Niet alleen vanwege de zangerige klank waar hij zo van hield - die kon hij ook op andere piano's nog wel tevoorschijn toveren - maar meer nog vanwege het toucher. De druk van de pianotoetsen was met meer dan tien gram verminderd, tot 36 gram (bij de meeste vleugels ligt de weerstand tegenwoordig tussen 48 en 52 gram). Zo liepen Horowitz' vingers over het toetsenbord met de lichtheid van een maanwandelaar - maar wel met een veel grotere vaart.

Richter daarentegen is in de loop der jaren bevriend geraakt met de zwaartekracht. Hij maakt van zijn diensten gebruik, in een stevig en zelfverzekerd toucher, zonder hem ooit te misbruiken. Nooit is het spel van Richter zwaar, eerder resoluut. Zijn tempi liggen wel vaak laag. Maar terwijl dat bij andere pianisten al gauw leidt tot een vermoeide toon, balanceert Richter voortdurend op de grens. Hij laat de spanning daardoor alleen maar toenemen in een enerverende dialoog met het gewicht van zijn zware, grote handen (Richter kan een octaaf plus een kwint omspannen, ongeveer 27 cm).

Concertafzeggers

Sviatoslav Richter en Vladimir Horowitz zijn vanaf het begin elkaars tegenpolen geweest. Ze werden weliswaar beiden geboren in het begin van de eeuw (Horowitz, geboren in 1903 en in 1989 overleden, was twaalf jaar ouder dan Richter) in de Oekraïne (Horowitz in Kiev, Richter zo'n honderd kilometer zuidwestelijk daarvan in Zjitomir). En ze behoren tot de beste pianisten aller tijden, waren vooral in het begin notoire concertafzeggers en hebben ieder hun eigenaardigheden. Maar daarmee houden de overeenkomsten wel ongeveer op.

Horowitz speelde al voortreffelijk piano op zeer jeugdige leeftijd, al ontkende hij zelf dat hij in de categorie 'wonderkinderen' viel. Volgens Harold C. Schonberg, die een zeer gedetailleerde biografie over Horowitz schreef, is dat onzin en zei Horowitz het vooral om de indruk te wekken dat hij vroeger nooit had hoeven studeren. Hij was volgens Schonberg alleen geen wonderkind omdat het publiek hem niet kende: “Zijn familie was welgesteld genoeg om hun briljante zoon en zijn buitengewone gaven niet te hoeven uitbuiten.”

Schonberg gaat zelfs zo ver te beweren dat iemand met een talent als dat van Horowitz wel een wonderkind moet zijn geweest: “Grote musici moeten jong beginnen. Na hun zesde jaar kan het te laat zijn. (-) Wanneer we de geschiedenis van pianisten en violisten bekijken, is er bijna geen belangrijke artiest waarbij het talent zich niet vóór zijn zesde jaar openbaarde.”

Voor Sviatoslav Richter gold dat echter niet. Hij had op jonge leeftijd weliswaar al pianoles, maar hij speelde voornamelijk partituren van opera's. Hij was een jaar of zestien toen hij bij het operahuis van Odessa als pianorepetitor werd aangenomen en drie jaar later, in 1934, gaf hij zijn eerste concert als pianist. Pas in 1942 ging Richter uiteindelijk alsnog naar het conservatorium van Moskou, maar hij had toen al wel een behoorlijke reputatie opgebouwd. “Ik ben er niet trots op dat Richter mijn leerling is, maar wel dat hij mij als leraar heeft gekozen,” zei Heinrich Neuhaus, de beroemde pianopedagoog aan het Moskouse conservatorium.

Neuhaus zag onmiddellijk het bijzondere talent van Richter. Iedere keer als Richter een ander stuk speelde, meende hij een andere pianist achter het instrument te zien zitten. In tegenstelling tot veel andere 'klavierleeuwen' heeft Richter een heilig ontzag voor de componist, wiens aanwijzingen hij zo zorgvuldig mogelijk probeert op te volgen. Richter speelt, ook tijdens concerten, nooit zonder een partituur voor zijn neus. En bij een begrafenisplechtigheid ter gelegenheid van de dood van Stalin negeerde hij allerlei signalen om te stoppen met de moeilijke en lange Prelude en Fuga van Bach, zodat hij uiteindelijk door soldaten van het podium werd verwijderd.

Horowitz had een totaal andere verhouding tot de muziek. Hij was weliswaar niet veel ouder dan Richter, maar doordat hij op jongere leeftijd met zijn studie was begonnen, behoorde hij in feite tot een andere pianistengeneratie. Horowitz werd vaak 'de laatste romanticus' genoemd. Dat is misschien wat overdreven, maar hij stamt inderdaad uit de romantische Russische pianoschool. Partituren waren voor hem niet heilig; zo maakte hij van De schilderijententoonstelling van Moessorgski een nieuwe versie omdat hij de oorspronkelijke niet bij zijn stijl en smaak vond passen.

Alles wat Horowitz onder handen nam, kreeg een eigen, herkenbare klank - wat overigens niet wil zeggen, dat hij alles in één stijl speelde. Hij probeerde, vertelde hij later, van jongs af zangers als Caruso op de piano te imiteren: “Het belangrijkste van het toetsenbord is de kleur en de zangerigheid. Ik ging veel liever naar een opera dan naar een piano-recital. (-) Als je geen kleur hebt dan heb je niets.”

Horowitz was in staat om een soepele, virtuoze aanslag en een kristalheldere klank te combineren met een fors geluid. Zijn fortissimo's konden, in tegenstelling tot wat je van zo'n fijnzinnig pianist misschien zou verwachten, genadeloos zijn. Volgens een collega-pianist, die net als Horowitz bij Sergej Tarnowsky had gestudeerd, was dat te danken aan hun leraar: “Als je Horowitz ziet spelen kun je zien dat hij altijd naar het midden van de toets gaat, zodat het geluid zo ver draagt als maar enigszins kan. Daar hamerde Tarnowsky steeds op.”

Verkeerde noot

Het spel van Richter, die volgend jaar tachtig wordt maar nog steeds af en toe concerten geeft, is minder gemakkelijk te typeren. Daarvoor is zijn repertoire te breed en zijn benadering te grillig. De meeste pianisten reizen de wereld rond met een paar concertprogramma's. Richter had er, toen hij in 1942 voor het eerst op het podium stond, maar liefst 25. Hij heeft altijd veel geoefend en repeteerde soms zelfs nog na afloop van een recital. Ondanks een fabelachtige techniek, wil hij in recitals nog wel een verkeerde noot aanslaan. Maar dat is voor hem van ondergeschikt belang. Het is de intensiteit, de enorme concentratie, die een concert van Richter zo bijzonder maakt, en die het publiek onontkoombaar in zijn greep houdt. “Na een concert ben ik het zelden met Richter eens,” zei pianist Vladimir Ashkenazy ooit, “maar tijdens het concert klinkt het altijd alsof dit absoluut de enige manier is om de muziek te spelen.”

In die elektrificerende werking op het podium lijken Horowitz en Richter op elkaar. Al gaan ze ook daar op een heel verschillende manier mee om. Horowitz heeft altijd de schijnwerpers gezocht. Hij maakte van zijn concerten een vrolijk feest en genoot na afloop zichtbaar van het enthousiasme van het publiek. Hij had iets society-achtigs en wist zijn imago van mega-ster goed uit te buiten, en zelfs zijn twijfels en depressies. Tussen 1953 en 1965 gaf hij geen enkel concert, hij maakte alleen enkele plaatopnamen. Zijn terugkeer in Carnegie Hall staat nu nog te boek als 'the historic return'. Als Horowitz een zaal binnenkwam, kreeg hij een staande ovatie. En als hij, zwaaiend met zijn zakdoekje, weer vertrok leek het applaus nooit meer te zullen stoppen.

Voor Richter is het publiek eerder een noodzakelijk kwaad. Na zijn eerste optredens in het Westen in 1960, werd hij al snel een van de meest gevraagde pianisten. Maar Richter heeft zich steeds meer teruggetrokken. Hij is internationale podia gaan mijden en duikt soms vrijwel onaangekondigd op in kleine steden (zoals in maart 1991 in Musis Sacrum in Arnhem). Interviews geeft hij niet (“Mijn concerten zijn mijn interviews”) en over zijn privé-leven is weinig bekend. Het liefst speelt hij in een kale graanschuur bij een 13de-eeuws klooster in de buurt van Tours, waar hij in 1963 voor het eerst kwam en waarnaar hij sindsdien steeds weer terugkeerde. Een bijna vast attribuut op het podium is een staande schemerlamp, alsof hij zichzelf het gevoel wil geven dat hij eigenlijk in zijn huiskamer zit te spelen.

Horowitz of Richter?

Een keuze is vrijwel onmogelijk. Of het zou een keuze voor het repertoire moeten zijn. Een voorkeur voor de tintelende Scarlatti en de ijle Skriabin van Horowitz, of voor zijn 'historische' concerten uit 1965 en '66; of een voorkeur voor Richters continu stromende lijnen in Bach, zijn briljante Prokofjev en zijn onnavolgbare Liszt. Beide pianisten overstijgen het niveau van uitvoerders. Ze zijn scheppende kunstenaars, ook al wordt het materiaal voor hun scheppingen aangereikt door componisten.