Lichamen doorboren

The Journal of Decorative and Propaganda Arts, nr. 20, 271 blz. 2399 N.E. Second Ave., Miami, Florida 33137, USA, $22 (indiv.), $28 (instell.)

In een pakhuis uit de jaren twintig in Miami Beach ligt een van de grootste, zo niet de grootste, particuliere verzameling toegepaste kunst uit de periode 1885-1945 opgeslagen. Daar heeft de puissant rijke Amerikaan Mitchell Wolfson zo'n zestigduizend objecten bijeengebracht, met een voorliefde voor Art Nouveau en een bijzondere belangstelling voor Nederland. Zijn collectie bevat, onder veel en veel meer, een Amsterdamse-Schoolameublement, een volledige uitgave van het tijdschrift Wendingen en vier exemplaren van een roman van Couperus met verschillende banden naar ontwerp van Chris Lebeau.

In 1997 stuurt de Wolfson Foundation een selectie op reis door Europa. Tot nu toe is vooral het in 1986 opgerichte tijdschrift bekend, The Journal of Decorative and Propaganda Arts, waarvan onlangs het twintigste nummer verscheen. Hoewel de vormgeving niet bepaald baanbrekend is, straalt het blad, dat het formaat van een boek heeft, met zijn vlekkeloze (Japanse) drukwerk, zware, glanzende papier en weelde aan kleurenfoto's een niet te evenaren luxe uit.

Net als Wolfsons collectie bestrijkt zijn Journal alle toegepaste kunstvormen uit de jaren 1885-1945. Deze aflevering bevat veertien even specialistische als uiteenlopende onderwerpen, van Art-Deco-architectuur in Zuid-Afrika tot en met door het surrealisme geïnspireerde sieraden (waaronder een geweldige broche uit de jaren veertig van een metalen gootsteenplaatje met een franje van paperclips). Uitvoerig gaan de auteurs in op de sporen die de westerse cultuur in Vietnam heeft achtergelaten, op de nalatenschap van de Japanner Soetsu Yanagi, grondlegger van een nationale collectie volkskunst, of op de decoratieve kunsten van de Italiaanse Futuristen, bijvoorbeeld meubilair dat onze lichamen moest 'doorboren'. Ook Nederland is vertegenwoordigd in de vorm van een twintig pagina's lang artikel over de vormgeving van de postzegel tussen 1920 en 1950.

Dit was bedacht als een 'general issue', aldus het voorwoord van hoofdredacteur Pamela Johnson, maar toen de diverse bijdragen binnenkwam bleek er wel degelijk een thematische overeenkomst: het onderzoek naar het landseigene van al deze kunstuitingen. Martin Eidelberg drukt zijn lezers op het hart dat, of ze het nou leuk vinden of niet, Amerikaanse keramiek van rond de eeuwwisseling diepgaand werd beïnvloed door ontwikkelingen in Europa. Bij de Art-Deco-architectuur van Zuid-Afrika hoorde een voorliefde voor het exotische, maar dat hield nog geen respect in: zwarten werden als de stereotype wilden afgebeeld. Het zoeken naar het 'authentieke' was de grondslag voor zowel de joodse kunstnijverheidsopleiding Bezalel (1906-1929) als de 'volkse', heroïsche bouwkunst van de Duitser Bernhard Hoetger. De redactie volstaat met het terloops wijzen op deze rode draad; enige samenhang in het nummer is daarmee niet geschapen. Zo blijft de Journal een beeldschone bokaal, tot de rand toe gevuld met glinsterende parels en kleurrijke edelstenen.