Argwaan op 2341 meter; Internationale kunst in de Zwitserse Alpen

Kunst op locatie is ook in Zwitserland niet onbekend. Galeriehouder Marc Hostettler kocht in 1986 een hotel bij de Furkapas en liet kunstenaars als Lawrence Weiner en Günther Förg het gebouw en de omgeving onder handen nemen. Is het in de bergen anders dan in Nederland waar de locatiekunst vaak betuttelend is? “Het lijkt niet bij de opzet van Furkart te passen om als een spoorzoeker op zoek te gaan naar de kunstwerken. Ze moeten toevallig worden genoten.”

Hotel Furkablick, Furkapasshöhe Ch. 6491, Realp. Tel. 00-41-44-67297. Open in juli, augustus en september. Kamer met ontbijt: eerste nacht 80 (op het zuiden) of 60 frank (op het noorden), tweede nacht 40 frank. Ansichtkaarten: 10 frank per mapje van 10. Treinstation Andermatt, daarna verder met de postauto.

Hoog in de Zwitserse bergen, waar geen bomen en huizen meer zijn, bevinden zich op een paar kilometer afstand van elkaar de hotels Belvédère en Furkablick. Beide geven door hun naam hoog op van het uitzicht dat ze bieden. Belvédère kijkt uit op de Rhônegletsjer en een woeste waterval. De gletsjer is bedekt met een grauw vlies, maar uit de spleten welt blauw licht op, zoals Goethe in de winter van 1779 al zag. In het ijs is nu een tunnel uitgehakt waarin men zich samen met twee als ijsberen verklede mannen kan laten fotograferen.

Furkablick ziet uit over de Furkapas, een van de hoogste bergpassen van Zwitserland. 2346 meter boven de zeespiegel vormt hij de grens tussen de kantons Uri en Wallis. Er zijn drieduizenders rondom, met sneeuw op hun top en ruisend water over hun kanten en een dunne laag supergroen gras dat elke vorm van de harde ondergrond trouw volgt. Door het dal rijdt sinds kort weer een stoomtreintje.

Belvédère en Furkablick werden allebei aan het eind van de vorige eeuw gebouwd. Hotel Belvédère, nog steeds in handen van de familie die het heeft laten bouwen, is grondig gemoderniseerd, maar er is ook veel bij het oude gebleven. Wat de kunst betreft, bijvoorbeeld. Binnen hangt, vergroot en verkleind, wat ook buiten te zien is. Soms is er een detail als een zilverdistel of gentiaan geaquarelleerd, een andere keer met een groot gebaar een heel berglandschap geëtst. De werken van de exposante, Louise Rütimeyer, worden op de gevel al luid aangekondigd. In 1706 werd de Rhônegletsjer voor het eerste afgebeeld. De traditie smeult hier nog na. “Met de lust de Rhônegletsjer te bewonderen en over de Furkapas te wandelen, kwam ook het verlangen, het geziene in beelden vast te houden of te bezitten,” schrijft een gidsje over het gebied. Aan de voet van de gletsjer staat ook nog eens een souvenirwinkel met een keur aan ansichtkaarten.

In hotel Furkablick, dat door de extreme weersomstandigheden alleen in de zomer is geopend, is het met oud en nieuw precies andersom. Het ligt op 2341 meter hoogte, pal aan de asfaltweg over de pas en was tientallen jaren gesloten. In 1986 werd het gekocht door Marc Hostettler, een galeriehouder uit Neuchâtel. Hostettler brengt zijn gasten in de waan dat het nog steeds 1900 is. In de veertig kamers zijn geen wasbakken maar lampetkannen, de bedden zijn krakende ledikanten met hoge veren dekken en eronder staat een po. De Speisesaal is nu in gebruik als conversatiezaal. Er is geen televisie; op de met dunne Perzen bedekte tafels liggen puzzels en spelletjes als ganzenbord en ezeltje prik. Om de ramen hangen zware rode gordijnen en op etagères staan kleine opgezette bergdieren. De oude tegelkachel brandt. Hans Castorp kan elk ogenblik binnenkomen voor het gezellig samenzijn. De enige concessies aan de moderne tijd in het hotel zijn elektrisch licht en een douche en wc aan het eind van elke gang.

En de kunst, die is ontegenzeggelijk modern. Figuratie is taboe. Men kan hier niet, zoals in Belvédère, op de laatste dag van het verblijf een landschapje kopen en mee terug nemen naar het laagland. De kunst die hier is, blijft hier. Zelfs de vuilniszakken wachten niet op transport. De zakken liggen al een jaar tegen de gevel. Ze zijn gevuld met steen.

Ondergronds

Kunst op locatie is ook in Nederland geen onbekend verschijnsel. De manifestatie Century '87, waarvoor Daan van Golden bijvoorbeeld de grindpaden van de Amsterdamse Hortus met een simpele ingreep in blauwe rivieren veranderde, was een van de hoogtepunten. Het verschijnsel heeft nu een hoge vlucht genomen. Elke gemeente heeft tegenwoordig een beeldenroute en in elke nieuwe wijk is wel een confrontatie tussen kunstenaars en bewoners aan de gang. Vaak zijn de kunstwerken onontkoombaar en hinderen ze de bewoners of bezoekers. Ze betoveren niet, maar betuttelen.

Is het hierboven anders? De kunst dringt zich in ieder geval niet op in en om hotel Furkablick. Anders dan Belvédère adverteert het hotel zijn schatten niet. Toeristen kunnen er gemakkelijk logeren zonder te weten dat sinds 1984 ongeveer zeventig kunstenaars gebouw en omgeving onder handen hebben genomen. De luiken voor de ramen zijn bijvoorbeeld gezellig rood met wit gestreept. Maar wie denkt er op 2341 meter hoogte aan Daniel Buren? Wat in of om een museum kunst is, wordt hier decoratie.

Aan elke kamersleutel zit een ijzeren ring, waarmee ze handig aan het grote sleutelbord in de hal kunnen worden opgehangen. 'Covered by clouds' is er in het donkere ijzer gegraveerd. Hotel Furkablick is inderdaad vaak in nevelen gehuld. De tekst is een boodschap van Lawrence Weiner, maar wie zal hem lezen? In de schemerige gangen van het hotel is het moeilijk te zien dat er iets op geschreven staat.

Op de parkeerplaats van de Furkapasshöhe, zichtbaar vanuit het hotel, staat een slank bakstenen bouwsel van Per Kirkeby. Maar in deze bergen is elke verheffing een loos gebaar. Is daar ver in het zuidwesten niet de Mont Blanc? Toch beklimmen kinderen het bouwsel. Zo zijn ze in ieder geval hoger dan hun ouders. De kunstenaars die Hostettler heeft weten te strikken, zijn voor een groot deel beroemdheden, die in het laagland nooit zonder enig tromgeroffel optreden. Maar hierboven gaan ze bijna ondergronds. Nergens staan naambordjes of andere aanduidingen. De kunstenaars maken hun werken hier, anders dan beneden, voor niets, al mogen ze wel gratis in het hotel verblijven.

Tussen de zo goed als verborgen 'Furkart' en de afbeeldingen van Louise Rütimeyer en de haren gaapt een kloof, zo diep dat alleen een kunstwerk die kan overbruggen. Een paar honderd meter van het bouwsel van Kirkeby af, staat een door Ian Hamilton Finlay bewerkt rotsblok. Het is klein, maar de pretenties zijn groot. Want juist op deze plek is het vergezicht bijzonder fraai. De toeristen willen het graag allemaal vanaf deze plek waarnemen. Ze kijken naar links, naar rechts, naar boven, naar beneden. En daar, linksonder, heeft Hamilton Finlay een handtekening gezet, in het rotsblok uitgehouwen. Het is niet zijn handtekening, maar die van Ferdinand Hodler, een Zwitsers schilder uit het begin van deze eeuw die veel bergen heeft geschilderd. Dat is nu niet meer nodig. Het landschap is zelf een schilderij geworden. Wie van de Furkart niet op de hoogte is, zal de handtekening misschien voor een grafschrift houden, en dat is niet eens zo'n gekke gedachte, want Hamilton Finlay draagt hier de landschapsschilderkunst ten grave.

Het zou mooi zijn als het werk van Hamilton Finlay het eerste op de berg was geweest. Want het lijkt alsof alle door Hostettler uitgenodigde kunstenaars zijn uitdaging hebben aangenomen. Nee, weergeven zullen we dit landschap niet, maar wat doen we er dan mee? Ook de kijker krijgt van Hamilton Finlay een oplawaai. Of is het eerder een geheugensteuntje? Hij weet weer dat zijn blik is afgericht, waarom hij een landschap schilderachtig vindt.

Zeester

Een aantal kunstenaars bedacht dat er maar een ander landschap naar boven moest komen. Op kamer 35, waar niet wordt geslapen, verfde Glenn Baxter vorig jaar een muur blauw. Op een andere muur schilderde hij een cowboy met zijn hoed in zijn hand. Op de blauwe muur plakte hij een zeester. Op de plint staat de punchline: 'For what seemed like an eternity Hank continued to contemplate the metaphor'. “Kunstenaars zijn erop uit om het evenwicht te verstoren. Ze moeten andere mogelijke werelden laten zien,” zegt Baxter in een programma over Furkablick van de Belgische televisie. Ook Michel Ritter koos in 1987 voor de zee. In het generatorhuisje onder het hotel laat hij walvissen geluiden maken.

Marc Luyten laat in de prachtige Speisesaal, waar Ulay en Abramovic in 1984 de performance Nightsea crossing hielden, sinds 1990 nog meer landschappen meedoen. Op de ramen die in drie van de muren uitzicht geven op berg en dal, zijn met kleine plakletters woorden als 'la forêt' en 'le lac' aangebracht. Ook 'l'orage', 'le luxe', 'le rire' en 'la perspective' worden ons aangereikt. Waar wil Luyten ons heen sturen? De kunst in Furkablick kan, eenmaal ontdekt, behoorlijk opdringerig zijn.

Op de tafels in de linkerhoek liggen in uitbundige hoeveelheid catalogi van alle kunstenaars die hier gewerkt hebben.

Gegeten wordt er nu in het door Rem Koolhaas sober verbouwde restaurant en, als het niet te koud is, op het terras op palen aan de zijkant van het hotel. Het is avond en koud midden augustus, dus ik ga aan een van de houten tafeltjes in de zaal zitten. De ruimte is dank zij Koolhaas kaal, maar prettig. De traptreden naar de toiletten lijken in de lucht te zweven. De muren van het restaurant zijn leeg. Er is geen kunst te bekennen. Maar ik ben door de trucs van Hostettler argwanend geworden. Ergens moet iets zijn dat de orde doorbreekt. Ik kijk onder de tafel, onderzoek het plafond. De tafels zelf misschien? Nee. Misschien vindt Hostettler dat je bezoekers onder het eten niet moet lastig vallen. Het bestek arriveert. Niets mee aan de hand. Het servet. Kraakhelder. Mijn appeltaart wordt gebracht door een blond dienstertje. De keuken is ook hier 'gutbürgerlich'. Ik steek de vork erin en dan is het toch weer raak. 'Description is more valuable than metaphor', 'an elite is inevitable', 'children are the hope for the future' lees ik op de placemat. Ook Jenny Holzer was here.

29 stappen

In het hotel kun je nog wachten tot je tegen een kunstwerk aanloopt. Buiten is dat onmogelijk. Het landschap is zo weids en de kunstwerken zo subtiel dat het onmogelijk is er zonder kaart een te vinden. Hostettler hangt het niet aan de grote klok, maar na enig aandringen moet hij toch toegeven dat hij een plattegrond verkoopt. Op een klein kaartje zijn daarop de kunstwerken aangegeven, vergezeld van een paar regeltjes tekst en uitleg over elk werk. Met het kaartje en een sleutel in de rugzak ga ik op pad. Parallel aan de asfaltweg loopt een één mens breed paadje dat desondanks ook door koeien gebruikt wordt. Ik vraag me af of Hostettler in opdracht van Stanley Brouwn, die in Nederland ook veel stappenprojecten heeft gedaan, over dit pad of over de weg in 1988 elke dag een stap meer naar de Furkapasshöhe heeft moeten zetten. Hij begon op 18 augustus met 29 stappen en eindigde op 14 september met 56 stappen, zoals op een papier in de hal van het hotel staat te lezen. Toen had hij er genoeg van. Hij hoopt dat Brouwn nu zelf komt om het karwei af te maken.

Na tien minuten ongeteld stappen verschijnt de Furkapasshöhe. Het eerste kunstwerk ben ik ondanks de kaart misgelopen. Gretchen Faust heeft hier in 1991 na een performance een gat in een rotsblok geboord. Maar er zijn hier zoveel rotsblokken.

Het werk van Richard Long is niet te missen. Op de zijgevels van een vervallen gebouwtje aan de rand van de pas, heeft hij dertien zwarte pijlen laten aanbrengen. Zij wijzen bijna allemaal in een andere richting. De pijlen geven de windrichting aan na elk half uur op een dag in 1989. Vandaag is het windstil en dat is maar goed ook. Zo wijst Long op een van de aloude verdiensten van kunst: dat het lente kan zijn in de winter, herfst in de zomer en windstil tijdens een storm.

Het gebouwtje was vroeger een dependance van het hotel. De deur zit nu op slot. Maar de gasten kunnen van Hostettler een sleutel krijgen.

Van alle onderkomens voor Furkart lijkt dit nog het meest op een museum. Het wekt dan ook geen verbazing dat hier de schilders onder zijn gebracht. In kamer 1 hangen bijvoorbeeld bijna-monochromen van John Armleder. Wegens Hostettlers desinteresse in figuratieve kunst, ontbreekt ook hier het landschap. Maar veel schilders verwijzen er toch naar, of ze willen of niet. Claude Rutault legde op een zolderkamer onder het raam een ongeprepareerd linnen doek op twee houten schragen. Op een A-viertje dat naast de deur ligt, schrijft hij: “Het is naïef en bespottelijk om het landschap dat wij voor ogen hebben te verdubbelen.” Maar hij is net zo illusionistisch als Magritte, met diens schilderij op een ezel voor een open raam waarachter de voorstelling doorliep.

Drol

Na de dependance is de kunst in deze richting op. Ik loop over het pad, dat zich steeds verder van de weg verwijdert, naar de gletsjer. De lucht is van boven blauw en van onder absoluut onzichtbaar en helder. Hij brengt niet eens geur over. Wie heeft er ook nog iets toe te voegen aan deze rauwe schoonheid? Of valt die niet te verpesten, wat er ook gebeurt? Zelfs de drol die een wandelaar hier tussen een steen en een gentiaan heeft achtergelaten, verliest in deze omstandigheden zijn afstotelijke eigenschappen. Men kan hem hier op zijn formele merites beoordelen, op zijn fraai glanzende bruin en aardige gedraaide vorm.

Van rechts komt de stem van een vader. “Hebben jullie weleens eerder een sneeuwballengevecht gehouden in de zomer? Zijn zoon van een jaar of tien komt van links en zegt: “Nu heb ik een herinnering aan hoe hoog ik ben geweest.” Hij struikelt naar beneden en houdt een ordinaire steen in zijn hand. De rood met witte strepen die her en der de route markeren, veranderen in evenzovele Burens. Een paar toevallig tot cirkel gestrooide kiezels roept Richard Long in herinnering. Op een steen aan de voet van de gletsjer is een ladder geschilderd. Een onvervalste Armando. Voor mijn ogen wordt alles kandidaat voor kunst. Ik zie er ook geen been meer in om me in de gletsjer met de twee ijsberen op de foto te laten zetten.

Indringer

De volgende dag is het weer omgeslagen. Het waait alle kanten op en de wolken onttrekken telkens een andere bergtop aan het gezicht. Hostettler verwacht sneeuw. Gelukkig regent het alleen nog zacht op de bergwand linksonder het hotel. Voor die steil naar beneden loopt, maakt hij een volmaakte ronding, die geaccentueerd wordt door drie kleine plekjes waar geen gras is. Ze doen mee met de ronding of werken een beetje tegen door een holte te maken. Ondanks de regen stralen ze een beetje.

Ik kijk op het kaartje. Zou het? Ja, het heet Three Rolled Conic Surfaces Applied to a Region of Curvature Maintaining Local and Somatic Descriptions.Maar het had misschien beter een naam als Galenbödmen of Gerstenhorn kunnen hebben, zoals twee bergen hier heten. Deze drie metalen platen van Royden Rabinowitch uit 1987 vechten niet tegen het landschap, zoals bijvoorbeeld de handtekening van Hodler of de ongeprepareerde doeken van Rutault. Ze horen noch bij de cultuur noch bij de natuur. Hun status is volkomen onduidelijk.

Vlak achter het hotel begint een pad naar het Galenloch, dat eerst door een sappige wei voert. Een oude vrouw met lang grijs haar plukt bloemen. Een oude man met lang grijs haar zit op een steen. De man en de vrouw zijn ver, maar er is hier zo weinig dat ze toch merken dat er naar ze gekeken wordt. In een trein is een paar centimeter gepaste afstand tussen mens en mens, hier gaat het om honderden meters. Ook de schapen draaien hun zwarte koppen allemaal in de richting van de indringer. Snel klim ik verder. Hoger en hoger; ik passeer de cementreliëfs van Günther Förg, de grenssteen van Lawrence Weiner, de schalen van Filip Francis en het oranje kruis van John Dixon. De berg wordt steeds kaler.

Nu gaat het nog maar om één kunstwerk. Ergens in een rots vlak voor de Sidelenbach moet Jenny Holzer een paar van haar 'truisms' hebben gekerfd, zoals 'your oldest fears are the worst ones'. Het pad gaat door de sneeuw. Daarna is er alleen nog maar losse en vaste rots. Zo hoog kwam Heidi vast nooit. Alle kleur is uit het landschap verdwenen. Daar is de Sidelenbach al. Hij is te breed en bruisend om over te steken. Maar de zinnen moeten ook voor de beek liggen, zegt de kaart. Ik verlaat het pad, bestudeer elke rots. Zouden ze nog wel bestaan? Sommige kunstwerken overleven de strenge winters niet. Maar dan zou Hostettler me toch wel op de hoogte hebben gesteld. Op een na zijn nu alle 36 rondom de Furkapas aanwezige kunstwerken gevonden, zelfs het gat van Gretchen Faust. De overige kunstenaars die hier waren uitgenodigd, deden iets dat niet beklijft, zoals een performance. Het is zonde om vlak voor de finish te stranden. Zal ik uit wraak zelf iets in de rots kerven, een walgelijk modern spreekwoord als wie iets vindt, heeft slecht gezocht?

Twee studenten van de kunstacademie in Genf koken soep op een spiritusbrandertje. Ook zij hebben niets gevonden. Een oudere man en vrouw klimmen naar boven. Opeens staan ze stil, met hun rug naar mij toe. Hebben zij iets gevonden? Allebei steken ze hun buitenste arm triomfantelijk de lucht in. Zo blijven ze wel een minuut staan. Dan klikt het fototoestel.

Nee, gevonden hebben ze niets.

Beneden haalt Marc Hostettler zijn schouders op. Misschien hebben de bergbeklimmers die vanmorgen naar boven zijn gegaan het wel gezien. Het lijkt inderdaad niet bij de opzet van Furkart te passen om als een spoorzoeker op zoek te gaan naar de kunstwerken. Ze moeten toevallig worden genoten, zonder hun status te kennen. Wie weet in welke hoofden ze dan waarnaartoe worden meegevoerd. Het is een mooi, maar ook een beetje schijnheilig streven. De argeloze krijgt de voorkeur boven de ingewijde. De laatste wordt als een indringer gezien, die het monsterverbond tussen kunstenaar en toerist verstoort. De oude man met het lange grijze haar is Mario Merz, vertelt Hostettler op het allerlaatst. Hij deed op de bergweide het veldwerk voor zijn bijdrage aan Furkart, die hier volgend jaar kan worden ontdekt.

Een aantal kunstwerken kan waarschijnlijk alleen van dit toeval bestaan. De bergbeklimmer die op 2700 meter hoogte opeens 'erfolg fordert opfer' leest, zal wellicht instemmend knikken. Maar de meeste kunstwerken zullen het zonder context niet redden. Daartoe zijn alleen de besten in staat, zoals de drie metalen platen van Rabinowitch, zo achteloos en krachtig tegelijk. Misschien zou Hostettler zijn kleinoden het liefst helemaal verborgen houden op deze toverberg, als parels diep in de zee.