Loon en werk

Bankpresident Wim Duisenberg zegt het zo in het Jaarverslag van De Nederlandsche Bank (DNB): “In de afgelopen dertig jaar is ook in ons land alleen vanaf de tweede helft van de jaren tachtig tot aan 1992 sprake van een significante daling van de werkloosheid, in samenhang met een sterke groei van de werkgelegenheid. Het valt op dat dit ook de enige periode in die dertig jaar was, waarin sprake is geweest van een voortgezette daling van het loonaandeel in het nationaal inkomen ofwel, anders gezegd, van een gematigde loonontwikkeling in de zin van reële loonstijgingen die achterbleven bij de gemiddelde produktiviteitsstijging”.

Kort door de bocht samengevat kun je concluderen: matig de loonstijging en er komt werk. Dat roept direct de vraag op wat we onder matigen moeten verstaan. Hoeveel mogen de lonen dan wél stijgen, zonder dat daardoor het scheppen van nieuwe banen in gevaar wordt gebracht? De vraag dus naar de beschikbare loonruimte. Wat is er beschikbaar voor verhoging van de lonen zonder dat de ondernemerswinst en daarmee de prikkel om uit te breiden wordt aangetast?

Om te verduidelijken waaruit die loonruimte is opgebouwd, stellen we ons een bedrijf voor met 100 werknemers die per jaar 10.000 fietsen produceren. Het bedrijf koopt en verkoopt alleen op de binnenlandse markt. Gemiddeld per werknemer worden 100 fietsen per jaar gemaakt. Deze worden voor f 1.200 per stuk verkocht. De kosten van een werknemer zijn per jaar f 50.000. In zo'n fiets zit dus f 500 arbeidskosten, dat is (500:1.200) x 100 procent = 41,7 procent van de verkoopprijs. Neem nu aan dat de fabrikant een paar oude machines vervangt door nieuwe, vernuftiger types. Bovendien worden zijn werknemers door scholing bekwamer. Gevolg: gemiddeld worden nu per jaar 110 in plaats van 100 fietsen geproduceerd. Een stijging van de arbeidsproduktiviteit met 10 procent. De fabrikant zou zijn mensen nu 10 procent loonsverhoging kunnen betalen, dus f 55.000 per jaar, zonder dat de arbeidskosten per fiets omhoog gaan. Die zijn dan immers onveranderd 55.000 : 110 = f 500. De stijging van de arbeidsproduktiviteit levert een stukje loonruimte. Maar dit is niet alle ruimte. De fabrikant zou ook - neem aan dat zijn concurrentiepositie het toelaat - zijn verkoopprijs met bijvoorbeeld 5 procent kunnen verhogen. Die wordt dan f 1.260. De arbeidskosten zouden dan ook met 5 procent kunnen stijgen, dus tot f 525. In dat geval zijn de arbeidskosten nog steeds 41,7 procent van de verkoopprijs. Immers (525:1.260) x 100 procent = 41,7 procent. Dus ook de stijging van de verkoopprijs draagt bij aan de loonruimte.

Stappen we nu van het micro- naar het macro-niveau dan geldt voor de BV Nederland in eerste aanleg hetzelfde als voor een fietsenfabrikant. Ten eerste levert de verandering van de arbeidsproduktiviteit een stukje loonruimte. Vervolgens is er de stijging van het algemeen prijsniveau. Het aandeel van de beloning van de factor arbeid in de nationale produktie wordt de arbeids-inkomensquote (aiq) genoemd. Door een stijging van het algemeen prijsniveau neemt de waarde van de nationale produktie toe. Er is dan ruimte om de beloning van de factor arbeid met eenzelfde percentage laten stijgen zonder dat de aiq toeneemt. Een derde element van de loonruimte voor een land als geheel is de verandering van de ruilvoet. Deze is gelijk aan het gemiddeld uitvoerprijspeil gedeeld door het gemiddeld invoerprijspeil. Stijgen de Nederlandse uitvoerprijzen sterker dan de invoerprijzen dan verbetert onze ruilvoet. We hoeven voor eenzelfde pakket importgoederen een kleiner pakket exportgoederen op tafel te leggen. Ook zo'n meevaller kan aan de loonruimte worden toegevoegd. Stijgen - in het omgekeerde geval - onze invoerprijzen sterker dan de uitvoerprijzen, dan verkleint dit de loonruimte.

Wanneer de arbeidskosten sterker stijgen dan de loonruimte toelaat, vergroot de factor arbeid zijn aandeel in het nationaal inkomen ten koste van het aandeel van de factor kapitaal. De stijging van de arbeids-inkomensquote gaat ten koste van de kapitaals-inkomensquote (kiq). Het kapitaals-inkomen, voor een groot deel winst, loopt terug. Bij dalende winsten neemt niet alleen de prikkel tot uitbreiden terug, ook de financiering ervan wordt lastiger. Er worden dan minder arbeidsplaatsen geschapen.

In 1993 is volgens het DNB-verslag de arbeidsproduktiviteit met 0 procent gestegen, het prijspeil is met 1,8 procent omhoog gegaan en de ruilvoet is met 0,8 procent verslechterd. Dat brengt de beschikbare loonruimte op 0 + 1,8 - 0,8 = 1 procent. Het arbeidsinkomen per werknemer is met 3,3 procent gestegen, waarmee de loonruimte met 2,3 procentpunten is overschreden. De arbeids-inkomensquote is met 2,3 procentpunten toegenomen.

De grafiek bevestigt dat we het hierboven beredeneerde verband ook in de werkelijkheid waarnemen: de werkloosheid stijgt en daalt met het toe- en afnemen van de arbeids-inkomensquote. Het DNB-verslag: “Het is het inzicht in en de erkenning van deze samenhang die de centrale organisaties van werknemers en werkgevers ertoe hebben gebracht voor de komende jaren een gematigde loonontwikkeling aan te bevelen.”

Jammer dat deze erkenning en dit inzicht vier jaar terug blijkbaar even ontbraken.