Krasjes bij Clinton

HET VERTREK VAN de Amerikaanse onderminister van financiën Roger Altman is op zichzelf beschouwd geen opmerkelijke gebeurtenis. Het gaat niet om een centrale speler in het politieke team van een Amerikaanse president. Toch is het in dit geval een veeg teken, want het opstappen van Altman heeft de kracht van een symbolische handeling. Hier is iemand gesneuveld over een affaire die almaar zachtjes als een vork over een pan krast: Whitewater.

Whitewater staat voor het mislukte bungalow-complex waarmee een spaarbank in Arkansas en de familie-Clinton destijds het grote geld hadden willen verdienen en waarin de spaarbank failliet is gegaan. De betrokkenheid van de Clintons is al enkele maanden onderwerp van onderzoek en Altman had dat fiscale onderzoek in zijn ambtelijke portefeuille. Dat hij nu opstapt, komt omdat er over dat onderzoek contacten tussen Financiën en het Witte Huis zijn geweest. Altman en Clinton zijn vrienden en er bleef een geur hangen van een onzuivere vermenging van ambtsplicht en vriendschap. Altman is het tweede politieke slachtoffer in het Whitewater-onderzoek en het eerste dat een botsing tussen Congres en Witte Huis etaleert. Dat is een politiek feit.

Op zichzelf beschouwd is Whitewater ook niet zo'n opmerkelijke gebeurtenis. De dossiers van speculerende spaarkassen uit de jaren tachtig met faillerende afloop beslaan inmiddels honderden meters. Ware het niet dat ook Whitewater de kracht van een symbolische affaire heeft. Het Amerikaanse publiek vertrouwt zijn president niet erg. Het is een klassiek geval van stijl die substantie in de weg zit.

WANT SUBSTANTIEEL kan president Clinton op enkele interessante successen wijzen en gaat het Amerika ook niet slecht. De economische groei ziet er met meer dan drie procent goed uit, de inflatie is onder controle en de president kan zich op de borst slaan over de daling van het overheidstekort. Het tekort was begin vorig jaar nog een kleine 300 miljard dollar en komt volgend jaar waarschijnlijk niet hoger uit dan 180 miljard.

Met de gezondheidszorg heeft Clinton het al veel moeilijker. Zijn plannen zijn inmiddels onherkenbaar geamendeerd en naarmate de begrotingscommissies van Huis en Senaat het harde deel ervan eens nader beschouwen, blijft er minder van over. Populaire overtuigingskracht om via de televisie en het kijkerspubliek het parlement en de belangengroeperingen de rivier over te jagen, zoals Reagan dat kon, heeft Clinton niet. Hier zit zijn stijl hem in de weg.

Clinton hangt, gewild en ongewild, te veel de toffe gozer-om-de-hoek uit om gezag en respect af te dwingen. Of het nu om zijn huwelijksperikelen gaat, om een stickie dat al dan niet is gerookt, een te dure kapper op een landingsbaan - het lukt hem simpelweg niet de rol van staatshoofd te spelen. Of omdat hij een slecht acteur is of omdat het hem aan innerlijk evenwicht ontbreekt of allebei. Als hij met gedragen stem ernstige toespraken houdt over vrede en menselijke waardigheid, zoals onlangs in Berlijn, blijft een ongemakkelijke kloof tussen de man en zijn woorden. Voor een live camera werd hij onlangs gevraagd of hij slips of boxershorts draagt als ondergoed. Hij gaf nota bene antwoord, en zoals een wijze Amerikaanse columnist daarop vaststelde: geen andere president zou zelfs maar die vraag zijn gesteld.

ALS EEN DYNAMISCHE krachtpatser heeft Clinton zich het Witte Huis in geknokt, representant van een nieuwe, dat wil zeggen volledig naoorlogse generatie. Die generatie heeft enige moeite om de ijkpunten te vinden waarop het sociale, culturele en politieke kompas moet worden afgesteld. Voor Clinton geldt dat nog meer en hij is president en dus valt het op.

Het vertrek van Altman en de zaak-Whitewater: het zijn beide rimpels, maar het zijn elementen van een presidentschap dat niet werkelijk op gang is gekomen.