De elektrische ploeg

Electric Ploughs in Wilhelmine Germany: Failure of an Agricultural System, Edmund N. Todd, Social Studies of Science, May 1992, Sage Publications, Londen / Elektrizität und Volkswohlfahrt, A. Raps, 1914, Verlag von Georg Stilke, Berlin/De Ingenieur, nr 32, 1897.

De elektrische ploeg past in een tijdperk waarin men dacht alles te kunnen met elektriciteit. Ook het boerenbedrijf moest geëlektrificeerd worden.

Bruno de Corte, Belgisch techniek-historicus, verrichtte een uitgebreide studie naar de elektrificatie van het boerenbedrijf. Hij vertelt: 'In 1879 werd in Frankrijk het eerste experiment verricht door Félix en Chrétien in Sermaine. Zij betrokken stroom van een suikerfabriek. Het experiment vond navolging in Italië, waar 'verlichte' grootgrondbezitters, zoals de graaf van Asarte en de markies van Montezemolo, proeven deden met ploegen die werden aangedreven middels hydro-elektriciteit, een waterrad. In Duitsland kwam Siemens eind vorige eeuw met een elektrische ploeg. Maar er was destijds gelijkstroom, die amper te transporteren was. Vanaf 1892 lukte het wel met wisselstroom, maar toen ontbrak op het platteland nog een hoogspanningsnet.'

Voor de elektrische ploeg verspreidde de stoomploeg zich al vanaf de tweede helft van de vorige eeuw vanuit Engeland over de hele wereld. In de VS werd gewerkt met mobiele stoomploegen, in Europa werden stoommachines aan de kant van het veld gestationeerd. Deze trokken een balansploeg (een kantelbare ploeg met wielen in het midden, zodat beide kanten op geploegd kon worden) via touwen heen en weer (Fowler-systeem). In 1907 bewerkten 3000 stoomploegen 1% van het Duitse akkerland, maar wel met een snelheid van 20 tot 30 kilometer per uur. Tegen 1900 kwamen er mobiele stoomploegen op de markt, die vooral in bosrijke gebieden (hout als brandstof) tot de jaren zestig gebruikt werden.

De meeste elektrische ploegen werkten eveneens volgens het Fowler-systeem, met een motor- en een transformatorwagen en daartussen, in het veld, hulpwagentjes. De Amerikaanse historicus Edmund Todd richtte zich spcifiek op de situatie in Duitsland: 'Er werd vooral ten oosten van de Elbe met de elektrische ploeg gewerkt. Er was een toenemend tekort aan arbeidskrachten en in de oogsttijd moesten Poolse arbeiders worden ingehuurd.'

Uit een test (1898) bleek dat een stoomploeg anderhalf keer zo duur was als een elektrische ploeg; het ploegen met ossen was het duurste. Dit was echter sterk afhankelijk van de stroomtarieven. Doordat de elektrische ploeg lichter was, leden wegen, bruggen en grond minder onder het gebruik. Hij kon ongelijkmatiger grond bewerken en was makkelijker te starten en te onderhouden dan de stoomploeg.

Volgens Todd werden in Duitsland toch hooguit duizend exemplaren verkocht. De Corte vindt zelfs die schatting hoog en waarschuwt voor geschiedsververvalsing: 'Overheden en elektriciteitsbedrijven namen tijdens de elektroforie wel vaker een loopje met de feiten. Het boek 'Elektrizität und Volkswohlfahrt (1914): 'Tegenwoordig zijn in Duitsland zo'n 40 volledig uitgeruste elektroploegen in bedrijf. In tegenstelling tot stoomploegen, die vooral voor een grootschalige opzet geschikt waren, waren elektroploegen ook gebouwd voor de middelgrote schaal, waardoor het toepassingsgebied veel groter werd. (...) Het economische voordeel zit in de besparing op trekvee en de betere, intensievere bodembewerking.' Ze waren in het begin langzamer dan stoomploegen; bij experimenten in 1898 haalden ze een snelheid van 5 à 6 kilometer per uur.

Elektrificatieprogramma's rond de jaren twintig vormden een impuls voor de elektrische ploeg. In Rusland zette Lenin een enorm programma op: 'Het Communisme is Sovjetmacht en Elektrificatie'. De Corte: 'Hij zag in de elektroploeg niet alleen een stap naar collectief gebruik van landbouwmaterieel, maar hoopte met goedkope elektromotoren het gebrek aan tractoren op te vangen. In 1921 woonde Lenin het eerste Russische experiment bij, maar net als bij de gehele elektrifikatie was het meer een propagandastunt. Stalin zou kort daarna de massaproduktie van benzinestractoren doordrukken.'

Volgens de Corte werd in Nederland niet geëxperimenteerd met de elektrische ploeg. In 1897 meldt De Ingenieur een 'prijsvraag die uitgeschreven is geworden door de Duitsche maatschappij van Landbouw, voor ploegen welke zonder dierlijke kracht voortbewogen worden,' waarbij het zwaartepunt (een extra prijs van 2000 mark) lag op de elektrische ploeg. In 1911 werd een regeringscommissie ingesteld om elektrificatie van de landbouw te onderzoeken. Ze concludeerde: 'Elektrische ploegen hebben grote voordelen boven stoomploegen. Eerstgenoemde zijn lichter en vereischen veel minder bediening.' Maar: 'Men moet voor deze werkzaamheid natuurlijk niet alleen elektriciteit beschikbaar hebben in de boerderij zelve, doch men moet ook een uitgestrekt verdeelingsnet op de velden aanleggen. Bovendien is er alleen met zulk ploegen economisch te werken, waar het landbezit niet te veel verdeeld is.' De commissie vond het niet raadzaam de elektrische ploeg te propageren.

In de VS werd alleen de stoomploeg, en niet de elektrische ploeg toegepast, omdat in het uitgestrekte landbouwgebied aanvankelijk geen elektriciteitsvoorziening was en 110 volt te weinig kracht leverde. In Zweden was de elektroploeg door goedkope hydroëlektriciteit in de jaren dertig een betrekkelijk succes, maar meer dan 20 à 30 stellen hebben volgens de Corte ook daar niet gefunctioneerd: 'De meeste experimenten vonden in Frankrijk plaats. Er werd een tiental typen ontwikkeld en ze werden gebruikt tot na de Tweede Wereldoorlog. De zwaarste wogen 25 ton, meer dan een Duitse pantserwagen uit die tijd. Ze hadden een kleine benzinemotor nodig om ze over de weg te vervoeren. Ze konden de hardste gronden ploegen en vielen bij wedstrijden vaak in de prijzen, maar ze waren vier keer zo duur als een tractor. Alleen de allerkleinste hebben door energieschaarste in de oorlog enig succes geboekt in groenteteelt en wijnbouw.'

Tractoren en elektrische ploegen concurreerden op de kleine markt van grote bedrijven. Elektromotoren vroegen weinig onderhoud of kennis, terwijl tractoren nog niet erg betrouwbaar waren en veel onderhoud vroegen. Vanwege de beperkte gebruiksmogelijkheden werden de tractoren slechts enkele weken per jaar gebruikt.

Volgens Todd is de elektroploeg nooit een succes geworden, omdat hij niet flexibel genoeg was voor de diverse omstandigheden. De Corte: 'In het begin moest hij concurreren tegen de stoomploegen. De landbouw was te kleinschalig, te verbrokkeld en de grote massa landbouwers te arm. Bovendien was er nog geen elektriciteitsnet. In 1913 had een kwart van Duitsland elektriciteit. De elektroploeg was immobiel, onpraktisch door de noodzakelijke elektriciteitskabel en zelfs gevaarlijk. Je moest hem aan het hoogspanningsnet koppelen.'

De tractor had een grotere bewegingsvrijheid, kon later ook op wegen rijden en er werden allerlei aankoppelbare hulpstukken ontwikkeld. In 1939 waren er in Duitsland al 30.000 tractoren.