Brinkman heeft zijn val aan Lubbers te wijten

Het Hollands keizersdrama heeft CDA-leider Brinkman de kop gekost. Maar de grote schuldige blijft demissionair minister-president Lubbers, vindt Frank van Empel.

Op 15 december 1989 was het lot van Brinkman bezegeld. Die vrijdagochtend om acht uur werd in het torentje van minister-president Ruud Lubbers een interview gehouden. Het ging over de plannen van de nieuwe centrum-linkse coalitie, maar ook over de vraag of dit de laatste kabinetsperiode van Lubbers zou zijn. “Ja”, antwoordde de CDA-leider pertinent. “Dan is de opvolger dus ook bekend”, blufte de Elsevier-redacteur. En weer antwoordde Lubbers bevestigend. “Brinkman dus”. Het derde “Ja” werd Brinkman uiteindelijk noodlottig. “In onze traditie”, verduidelijkte Lubbers, “is de fractievoorzitter, nu dus Brinkman, de eerste opvolger”. “De fractievoorzitter speelt bij ons een primaire rol”, voegde hij later in het gesprek toe. Aardige achtergrondkennis bij wat er morgen binnen het CDA staat te gebeuren: de keuze van een nieuwe fractievoorzitter.

Die vrijdagochtend in december kreeg Brinkman een juk op de schouders dat Lubbers zelf nooit had gedragen. Diens voorganger Van Agt had de Rotterdamse econoom niet als zijn opvolger aangewezen. En begin jaren zeventig zou het noemen van Van Agt als partijleider ook een wilde gok zijn geweest. Brinkman kwam te vroeg in de wind. Lubbers was niet bereid als gangmaker te fungeren. Integendeel. Hij liet geen gelegenheid voorbij gaan om zijn eigen leiderschap te onderstrepen. Veronica-baas Van der Reijden bestempelde de leiderschapskwestie binnen het CDA gisteren terecht als “een keizersdrama”.

Achteraf gezien had Brinkman de oude keizer in 1992 moeten vermoorden. Dat was het jaar van de WAO. Het derde kabinet hing aan een zijden draad. De CDA-fractie maakte een afspraak met de VVD-Tweede Kamerfractie over harde ingrepen in hoogte en duur van de WAO, als alternatief voor het kabinetsgefröbel. Maar Brinkman liet zich terugfluiten door Lubbers en minister Bert de Vries en was vanaf dat moment een kroonprins zonder tanden.

De twijfels aan zijn leiderschap werden nog versterkt in de aanloop naar de verkiezingen van 1994. Wie hem over sociaal-economische kwesties hoorde praten wist dat zijn opvattingen niet uit hemzelf voortkwamen. Hij was er slechts de vertolker van en geen al te beste. Toen mede-auteur van het CDA-verkiezingsprogramma Kolnaar bij een toelichting daarop voor de pers blunderde met opmerkingen over het vier jaar lang bevriezen van AOW-uitkeringen was alleen CDA-voorzitter Van Velsen in de buurt. Brinkman schitterde door afwezigheid, hoewel Kolnaar bij de partijvoorlichters uitdrukkelijk om diens aanwezigheid had gevraagd.

Brinkmans hart ligt duidelijk meer bij kunst en binnenlands bestuur, dan bij economie en buitenlands beleid. Daardoor kan hij een crack als Wim Kok onvoldoende partij bieden. Het zou nog wel een te overwinnen handicap zijn geweest, want ten slotte kampten ook die andere twee leiders, Hans van Mierlo (D66) en Frits Bolkestein (VVD) met een tekort aan financieel-economisch inzicht. Maar Brinkman heeft een nog veel grotere tekortkoming dan de inhoudelijke. Hij kampt met een structureel presentatieprobleem.

Brinkman is een uitermate beminnelijke, vriendelijke man, die aandacht heeft voor zaken buiten het werk. Hij kan los en ontspannen zijn, maar zodra de bandrecorder aanstaat, de tv-camera zoemt of de pen het notitieblok raakt schiet de kroonprins van Lubbers in de houding. Dan worden zijn zinnen ineens mechanisch.

“Elco is altijd meer bestuurder geweest dan politicus”, merkte zijn vriend Hans Wiegel gisteren op. Ook dat had Brinkman niet op hoeven breken. Ten slotte geldt hetzelfde voor Wim Kok. Maar die is boven zichzelf uitgegroeid, hoewel ook hij nog steeds niet vibreert van retorische begaafdheden. Kok, Brinkman, Bolkestein, ze missen het vuur en flux de bouche dat politici als Wiegel, Van Dam en Wallage van nature hebben. Van der Reijden zei het gisteren voor tv treffend. Het CDA moet weer een leider hebben die recht in de camera durft te kijken, die aanspreekt bij het volk. Brinkman was dat niet. Met name in het zuiden gruwden katholieken en vrouwen van de man met de laserogen en het geprogrammeerde taalgebruik. Hoezeer dit ook onrecht doet aan Brinkmans vriendelijke en open karakter, het is wel een politieke realiteit.

Waarnemend voorzitter Tineke Lodders bracht de kwade boodschap met verve. Dat de fractie Brinkman steunde is geen garantie voor stabiel leiderschap. Een leider moet ook de steun hebben van de partij en die had Brinkman overduidelijk niet. Het tragische van Brinkman is dat zijn peetvader, Lubbers, niets heeft nagelaten om hem te beschadigen. Die wilde zichzelf glans geven door af te geven op zijn kroonprins en beschadigde daarmee uiteindelijk het CDA. Niet Brinkman is de grote verliezer van het keizersdrama maar de man die hem in het zadel hees en hem daar meteen weer uitstootte, de keizer zelf: Ruud Lubbers. Lubbers vertrekt deze week met onbekende bestemming uit het torentje. Hem treft de blaam van een CDA in moeilijkheden. Brinkman kan met opgeheven hoofd verder gaan.

De CDA-fractie staat intussen voor een moeilijke keuze: Wie moet Brinkman opvolgen? Het is goed daarbij de lessen van Brinkmans falen in het achterhoofd te houden. Met een toch wat stug ogende man als Enneus Heerma zou wel eens dezelfde kant op kunnen gaan als Brinkman: impopulair bij vrouwen en katholieken in met name het zuiden. Wat dat betreft zou de vrolijke Yvonne van Rooy het beter doen voor de camera, hoewel zij vrij algemeen “te licht” wordt bevonden voor het leiderschap. Of Hans Hillen, voormalig voorlichter van het ministerie van Financiën. De Hoop Scheffer heeft het nadeel dat hij te weinig oorspronkelijke economische kennis heeft, Deetman is stug en trouwens niet beschikbaar. Hirsch Ballin heeft in een aantal affaires (IRT, selectieve abortus) veel glans verloren.

Het lijkt een onmogelijke opgave. Het is voor het CDA te hopen dat de selectiecommissie nog een onverwachte kandidaat met betere toekomstmogelijkheden uit de hoed weet te toveren.