Poste restante 's-Gravenhage; 30 jaar brieven van burgers aan de formateur

Als er aan het Binnenhof een kabinet wordt geformeerd, arriveren de waarschuwingen, eisen,sollicitaties en vermaningen met zakken vol uit het land. De formateur stuurt ze, meestal on- gelezen, rechtstreeks naar het archief. Hartstocht, woede en eigenbelang - dertig jaar post aan de formateur. Poste restante Den Haag.

Op 24 juni 1981 was een Haagse mevrouw het zat. Het was alweer een maand geleden dat ze had gestemd voor de Tweede Kamerverkiezingen, maar een kabinet was er nog steeds niet. Gesoebat werd er genoeg: over wie met wie moest regeren bijvoorbeeld, of wie minister-president diende te worden. Aan serieus landsbestuur scheen echter niemand op het Binnenhof te denken.

De vrouw greep naar de pen. “Geachte Heren Lubbers en De Koning”, schreef ze aan de twee kabinetsinformateurs van dat moment. “Als doodgewone huismoeder wil ik toch graag even mijn mening aan U mededelen. Deze mening is beslist niet van mij alleen. Ik denk dat het grootste deel van het Nederlandse volk erachter staat. Wat zijn de Heren nu aan het doen? Het is al haast een maand geleden dat we gestemd hebben, en waarachtig hebben we laten zien hoe we erover denken. Dhr. de Uyl heeft eerst goed de boel verpest, de afgelopen 4 jaar is het eindelijk wat beter gegaan, en nu zou mijnheer willen terugkomen om de boel te verpesten. Vergeef me deze uitdrukking. Hij is alleen jaloers dat dhr. Van Agt en Wiegel hun 4 jaar hebben uitgezeten. Spaar ons voor zo'n minister-president. Het lijken wel dictators, machtwellustelingen en baantjesjagers. (-) M'n briefje zal wel niet veel gewicht in de schaal leggen maar ik wilde het toch even kwijt. Ik hoop ondanks alles dat U zult slagen en zult vechten voor het CDA. Veel succes heren!”

De ontevreden schrijfster had het goed gezien: haar verzoek om een snelle afronding van de formatie legde inderdaad geen gewicht in de schaal en werd beleefd genegeerd. Het zou nog bijna drie maanden duren voordat het tweede kabinet-Van Agt het bordes zou betreden voor de traditionele groepsfoto. Ook op haar tirade tegen 'dhr. De Uyl' werd geen acht geslagen. Den Uyl kwam terug, weliswaar niet als minister-president, wel als vice-premier en minister van Sociale Zaken. Kribbig

Zolang er kabinetten geformeerd worden, ontvangen kabinetsformateurs post. Burgers manen hen tot spoed, waarschuwen voor het NSB-verleden van een kandidaat-bewindsman, of opperen alvast een verdeelsleutel voor de ministersposten. Daarnaast deponeren vakbonden, bedrijven en lobby-organisaties hun talrijke verlangens en visies bij de politicus in dienst van Hare Majesteit.

Als poging tot inspraak of belangenbehartiging is de correspondentie tamelijk nutteloos. Mr W.F. de Gaay Fortman, tot drie keer toe kabinetsinformateur, kan zich niet herinneren ooit iets aan de post te hebben gehad. “Er stond niets in wat ik niet wist”, zegt hij over de brieven van bedrijven en organisaties. “Ik zou het niemand aanraden”, zegt De Koning, eveneens drie keer bij formaties betrokken, over de brievenschrijverij. Van de 4000 stukken die hij naar eigen zeggen in 1986 ontving las hij er een paar, zonder daarin overigens iets nieuws te ontdekken.

Veel van de brieven en stukken die kabinetsformateurs in de loop der tijd bereikten, lijken de afzenders dan ook eerder voor zichzelf te hebben geschreven dan voor de informateur. Bij wijze van zelf-promotie sturen instellingen niet zelden een afschrift van hun brief naar de pers en de redactie van het interne mededelingenblad. Zelfs als de informateur uit de eigen gelederen afkomstig is, wordt het wensenlijstje toch gestuurd.

Zo kon K. de Vries, die in mei en juni als kabinetsinformateur bouwde aan de paarse coalitie, bij de post de wensen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aantreffen, waarvan hij zelf hoofddirecteur is. De brief was weliswaar al op 16 mei verstuurd, nog voor zijn aanstelling als informateur. Voor een woordvoerder van de VNG lijdt het echter geen twijfel dat de brief ook was geschreven als De Vries op die datum al in functie was geweest als kabinetsinformateur. “Dat moet u formeel bekijken: De Vries is op zo'n moment in dienst van de Majesteit en niet van de VNG.” De woordvoerder meldt tevens dat sinds de brief van 16 mei nog een tweede schrijven richting kabinetsinformateur is gegaan omdat de eerste alweer verouderd was.

Burgers zijn soms even eerlijk in hun profileringsdrang. “Hierbij ontvangt u een nog te publiceren artikel van mijn hand inzake de onderlinge verhouding van grondrechten”, begon de Tilburgse staatsrechtgeleerde dr. A.K. Koekkoek in 1986 zijn brief aan informateur J. de Koning (CDA). Koekkoek is inmiddels, sinds 3 mei, Tweede Kamerlid voor het CDA. “Bijgaand stuur ik u mijn twee laatst verschenen boekwerken mee”, schreef een directeur van een 'Bedrijfsbemiddelingsbureau' aan kabinetinformateur J. Burger in 1973. Ze bevatten de “oplossing voor de staatskas waaraan ik sindsdien nog twee uitvoerbare maatregelen heb toegevoegd.” Topjaar

Net als de democratie zelf gaat de correspondentie van burgers en bonden met de kabinetsformateurs in de loop der tijd steeds professioneler en anoniemer ogen. Zo verandert de verhouding tussen brieven van individuele kiezers met hun hartekreten en die van bonden met allerlei eisenpaketten drastisch, ten gunste van de laatsten. De correspondentie uit de formatie van het kabinet-Marijnen (1963) past nog makkelijk in één mapje. Van de 10 stukken waren er zeven van burgers en drie van organisaties. In 1986, daarentegen, ontving informateur J. de Koning gedurende 54 dagen van de formatie van het tweede kabinet-Lubbers, zoals gezegd meer dan 4000 stukken waarvan ongeveer 150 brieven van burgers. De tientallen dozen waarin ze zijn opgeslagen, zijn te vinden in het archief van het departement van Algemene Zaken.

Volgens de Rijksvoorlichtingsdienst bereikten de zes informateurs (Tjeenk Willink, De Vries/Van Aardenne/Vis, Tjeenk Willink, Kok) die Nederland sinds de verkiezingen van 3 mei van dit jaar versleet, tot eergisteren in totaal 396 brieven van organisaties en 59 van burgers. Hoewel daarbij geheime interne beleidsstukken van bijvoorbeeld Centraal Plan Bureau of secretarissen-generaal niet inbegrepen zijn, is dit verhoudingsgewijs een veel lager aantal dan die in het 'topjaar' 1986.

Ook het gezelschap van brievenschrijvers wijzigde zich mettertijd aanzienlijk. In de jaren zestig zijn er nogal wat oud-kolonels die waarschuwen voor complotten van Moskou. “De tanks van Rusland wachten op het sein. Een kwestie van tijd of we staan in de rij voor een bloemkooltje”, schrijft één van hen. Later voegen zich daar protestanten bij die de kabinetsinformateur informeren over de nieuwste kuiperijen van het Vaticaan. De correspondentie van de 'doodgewone huismoeder' uit Den Haag wijst op enige democratisering van het schrijverspubliek. Hun geluid gaat echter ten onder in het exploderend aantal brandbrieven van pressiegroepen en andere belangenorganisaties die in de jaren zeventig en tachtig het licht zien.

Twee brieven uit 1963 en 1966 van 'een oud-commandant der Afdeling Politie-reserve en geheime dienst der voormalige Amsterdamse Vrijwillige Burgerwacht' tonen hoe bereid burgers destijds nog waren de eisen van het landsbestuur te trotseren en de eigen carrière in dienst te stellen van het landsbelang. In zijn brief aan minister-president V.G.M. Marijnen toont de oud-officier zich bezorgd over de verwording van de politiek “tot het brutaal najagen van eigen voordeel en stokpaardjes met een volkomen negatie van het landsbelang”. Om het tij te keren is hij bereid zijn “resterende krachten te geven als minister van Openbare Veiligheid”, een aanbod dat overigens vriendelijk doch beslist van de hand werd gewezen.

De man houdt echter vol. Drie jaar later, hij is inmiddels de leeftijd van zeventig ver gepasseerd, herhaalt hij zijn aanbod aan kabinetsinformateur J. Zijlstra. De sollicitatie gaat vergezeld van een regeerprogramma op hoofdlijnen. Uitgangspunt moet daarbij zijn, aldus de oud-commandant, dat voor gelijke diensten gelijke prijzen worden betaald. Dat kan in zijn ogen tot niets anders leiden dan de afschaffing van het 'retourtje' op de spoorwegen. Een reis heen kost nu eenmaal evenveel als een reis terug.

De internationale samenwerking ontkomt evenmin aan de ijzeren logica van de wederkerigheid. Zo wil de briefschrijver dat Nederland de door “negerstaatjes” gedomineerde Verenigde Naties verlaat. Ook de ontwikkelingshulp moet eraan geloven. Immers: “Het is volstrekt onjuist om een deel van onze belastinggelden te gebruiken voor het bevorderen van de vorming van geheime Zwitserse bankrekeningen door allerlei grotendeels belachelijke negerpotentaatjes, die binnen een te kort tijdsbestek uit een klapperboom in een cadillac zijn gevallen.”

De beleidsvoorstellen van de oud-commandant halen het niet. “Slaat door! 76 jaar!” krabbelt één van de adviseurs van Algemene Zaken als waarschuwing voor Zijlstra in de kantlijn van de brief. Later zou een heel legertje van deze adviseurs op Algemene Zaken nodig zijn om de wassende stroom brieven van een fatsoenlijk antwoord te voorzien. Verdommenis

Burgers met een persoonlijke missie zullen in de jaren hierna steeds minder voorkomen. In de jaren zeventig neemt de overheid het roer van de burger over, definieert haar eigen missies en gaat 'beleid' voeren. Regeren lijkt zo'n ingewikkelde zaak te worden dat nog maar weinig kiezers op het idee komen zich aan te melden voor een kabinetspost. Liever organiseert de burgerij zich in allerlei maatschappelijke verbanden die het in brandbrieven en haastige telegrammen tegen de overheid gaan opnemen.

“In dit stadium van de kabinetsformatie willen wij nogmaals onder uw aandacht brengen dat de abortuskwestie geen object van politieke koehandel mag zijn. Stop. Het belang van de abortus- hulpverlening vereist een aparte en gedegen besluitvorming die niet vertroebeld wordt door de politieke opportuniteiten van het moment. Stop. Het huisgeluk van enige tienduizenden gezinnen staat op het spel”, telegrafeert Stimezo in de zomer van 1973 aan kabinetsinformateur Burger.

Andere formateurs uit die jaren ontvangen brieven van onder meer de Nederlandsche Vrijgezellenbond, de Vereniging van de belangen van één-oudergezinnen, de Stichting Weg, Mens en Mobiliteit, de Nederlandse Vereniging van Wegenbouwers, de Nederlandsche Stichting voor Morele Herbewapening, Vrouwenbelang afdeling Den Haag en Omstreken, stichting Appel Bestrijding criminaliteit, en het comité 'Liever Duisternis dan Verdommenis' (strijdend tegen de kerncentrale in Dodewaard).

Veel van de brieven vallen op door de ongerichtheid van hun verlangens. Hierbovengenoemde organisaties vragen 'aandacht voor' zoals Stimezo, geven hun 'visie op', willen 'betrokken worden bij het beleid ten aanzien van', of wagen zich aan een 'overpeinzing omtrent'. De introductie van het verschijnsel 'open brief' draagt evenmin bij aan de verduidelijking van de verlangens van de burgerij.

Men zou de kabinetsformateurs tekort doen als alle brieven louter als een functie van maatschappelijke ontwikkelingen zouden worden afgedaan. De persoon en de kennissenkring van de formateur doen er ook wel degelijk toe. Zo ontvangt CDA-politicus Van Agt begin jaren tachtig veel steunbetuigingen van de katholieke achterban voor zijn pogingen overeind te blijven tegenover het socialistisch geweld (“Pas op Dries, laat je niet inpakken door Joop en Jan (Joop den Uyl en Jan Pronk, red.).”)

De econoom Lubbers krijgt in 1982 een 'Beste Ruud'-briefje waarin een kennis 'à titre personel' vraagt de belangen van institutionele beleggers niet uit het oog te verliezen tijdens de formatie van zijn eerste kabinet. Zeven jaar later zit er bij de post voor Lubbers een brief van de CDA-afdelingen in Friesland, Groningen en Drenthe waarin zij aandacht vragen voor de in hun ogen deplorabele economische toestand van de noordelijke provincies. In het zelfde jaar biedt S. Weijers een verklaring aan bij Lubbers die het oud-CDA-Kamerlid zelf mede heeft ondertekend. In de verklaring worden verregaande vormen van werknemersparticipatie in bedrijven bepleit. “Mooie taak voor de politiek om wat piketpalen te slaan”, schrijft Weijers.

Het zijn vooral de kabinetsformateurs Steenkamp, Burger en Den Uyl die in staat blijken zowel diepe genegenheid als grote agressie op te roepen. Voor de erevoorzitter van het CDA wordt tientallen malen Gods zegen afgesmeekt (“Ga zo door, als christen heeft u een grote verantwoordelijkheid”). Hij oogst echter ook hoon. “Aan Steenkamp, Aan die brave Steenkamp”, smaalt een PvdA-kiezer in een handgeschreven brief uit 1971: “Die is zo braaf om een nieuw kabinet tevoorschijn te toveren. Dat is helemaal de wens van de kiezer. Die willen allemaal eens van dat christelijke zooitje af en komt daar ene Heer Steenkamp toch weer met zoo een christelijk zooitje aan. Dat is omdat hij zelf een weggelopen christelijken is. Je weet net zoo goed als ieder mensch dat weet die bij zijn volle verstand is, dat de PvdA de meeste stemmen heeft gehaalt en toch gaat die christelijke Steenkamp een christelijke rotzooi bij elkaar gooien.” Burgeres

J. Burger, die in 1973 het kabinet-Den Uyl forceerde door 'in te breken' bij de christelijke partijen, krijgt veel brieven die aansluiten op zijn robuuste stijl van optreden. Het aantal uitroeptekens in de brieven die aan hem zijn gericht ligt hoger dan in andere jaren. Een kleine selectie:

“Geachte heer Burger, er wordt al smalend gelachen dat u het niet voor elkaar krijgt. Laten lachen.”

“Weledele heer Burger, als Den Uyl maar woord houdt en begint met zijn opruimen op Soestdijk.”

“Zeg Burger, je neemt bij dat mannetje Van Agt toch niet zijn 'shoot to kill Waffen SS' op de koop toe?”

“Hierbij melden wij de geboorte van Jessica Barbara. Wierp op 29 maart 1973 om 21.35 uur haar gewicht van 5 pond en 30 gram verdeeld over 49 centimeter in de strijd. Weer een Burgeres erbij!”

De agressie die PvdA-leider Den Uyl in de jaren zeventig bij met name het christelijk volksdeel wist op te wekken, bleek al uit de eerder aangehaalde brief van de Haagse mevrouw. Meer nog valt echter de amicale toon in de brieven op die Den Uyl als minister-president en kabinetsformateur ontvangt. Zo begint N.W.J. Burger (geen familie van de informateur) uit Scheveningen in 1973 zijn brief over de abortuskwestie als volgt: “Beste Joop, Mag ik u zo benaderen op dit nachtelijk uur (3 uur in de morgen?)”, waarna Burger een persoonlijk beroep op Den Uyl doet om niet akkoord te gaan met “zwangerschapsonderbrekingen aan de lopende band”. Eenentwintig jaar later herinnert de briefschijver zich zijn brief als de dag van gisteren: “Iedereen zei dat in die tijd: ome Joop, beste Joop, enzovoort. Logisch: het was er één van ons.”

Steunbetuigingen en persoonlijke vermaningen van vrienden en bekenden van de kabinetsformateur completeren het correspondentie-dossier. Het zijn niet alleen oude bekenden van wie de informateur het bestaan allang vergeten was, die plotseling opduiken. Ook leraren die de carrière van hun oud-leerling met belangstelling hebben gevolgd, grijpen soms naar de pen. Dat overkwam onder anderen ARP-leider B. Biesheuvel in 1972 toen hij, nadat de christelijke partijen flink klop hebben gekregen, toch weer probeerde een christelijk-liberaal kabinet te formeren.

De echtgenoot van een oud-lerares schrijft aan Biesheuvel: “Beste Barend, mijn vrouw en ik hebben je carrière steeds met belangstelling gevolgd en hadden er tot en met je ministerschap van landbouw grote bewondering voor, maar daarna werd het steeds minder. Je werd te ambitieus, Barend, en je droom ooit een Kuyper of Colijn te worden ging je parten spelen. En nu ben je als fractievoorzitter van nota bene een verliezende partij aan het sleutelen om toch maar in Godsnaam weer een rechtse regering in elkaar te knutselen uit partijen die op één na allemaal hebben verloren. Ik hoop en bid om Godswil dat je niet slaagt. (-). Overigens wensen mijn vrouw en ik je het allerbeste voor je persoonlijk leven, in je gezin en in de politiek.”