De grenzen van Georges Bataille

Michael Richardson: Georges Bataille 148 blz., Routledge 1994, ƒ 42,50 (pb)

Laurens ten Kate: De lege plaats. Revoltes tegen het instrumentele leven in Bataille's atheologie 639 blz., Kok Agora 1994, ƒ 79,90

Georges Bataille: The Absence of Myth. Writings on Surrealism 211 blz., Verso 1994, vert. Michael Richardson, ƒ 65,55

Georges Bataille (1897-1962) was een veelzijdig schrijver. Hij was kunsthistoricus en dichter, econoom en godgeleerde, romancier en mysticus. Maar vóór alles, schrijft Michael Richardson in zijn Engelse monografie over Bataille, was hij socioloog. In zijn geschriften draait alles om de menselijke gemeenschap. Richardsons boek getuigt van een toenemende interesse voor het werk van Bataille in het Engelse taalgebied. De invloed van post-structuralistische filosofen als Derrida, Foucault en Baudrillard is daaraan niet vreemd. Zij allen meenden in het denken van Bataille inspiratie te kunnen vinden en verwezen veelvuldig naar hem. In hun kielzog werd ook Bataille opnieuw gelezen, eerst in Frankrijk, toen in Duitsland en nu in het Engelse taalgebied.

Richardson verzet zich tegen deze postmoderne toeëigening van Bataille's denken. Van anti-rationalisme was volgens hem bij Bataille geen sprake. Het was hem er niet om te doen het betekenisvolle spreken te laten exploderen. Hij zocht slechts naar een weg tot herstel van een maatschappelijke coherentie, nadat de godsdienst als samenbindende factor was weggevallen. Daarmee stond hij ten volle in de traditie van de Franse sociologie, vooral in die van Durkheim.

Richardsons uiteenzetting van Bataille's maatschappelijke denkbeelden is uitermate helder, maar door die helderheid ook verraderlijk. Bataille was vaak een veel minder koel en coherent denker dan Richardson wil doen geloven. Zonder diens duistere facetten geheel te verzwijgen, schuift hij deze zo ver naar de achtergrond dat hij Bataille als ernstige, nette en vooral evenwichtige socioloog presenteert.

Bataille onderzocht de schaduwzijde van de rede in een reeks boeken die tot stand kwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog, en die hij later bijeenbracht onder de titel A-theologische Summa. Het zijn chaotische boeken, waarin dagboekfragmenten, flarden essays, gedichten en mystieke bespiegelingen elkaar afwisselen. Politieke of maatschappelijke overwegingen vindt men er nauwelijks in terug. Moe van de ideologische partijstrijd van de jaren dertig en ontgoocheld door de ervaring van de oorlog had Bataille zich in zichzelf teruggetrokken. Hoe te leven na de dood van God, vroeg hij zich af, en voor een antwoord verdiepte hij zich allereerst in de afgronden van het eigen innerlijk.

Richardson besteedt aan deze periode in Bataille's leven weinig aandacht. Daarentegen beschouwt de Nederlandse filosoof Laurens ten Kate Bataille's oorlogsgeschriften als de sleutel tot zijn hele werk. In zijn omvangrijke studie De lege plaats analyseert Ten Kate Bataille's boek De innerlijke ervaring - het eerste deel van de A-theologische Summa - dat hij enkele jaren geleden al (samen met Wim Kuijt) in het Nederlands vertaalde. Het denken van Bataille wordt volgens Ten Kate getekend door de ervaring van de afwezigheid van God. Die ervaring roept een onstilbaar verlangen op naar een overschrijding van de beperkingen van het 'ik', maar dat verlangen weet tegelijk dat er aan gene zijde geen absolute Volheid meer wacht. Wat blijft is 'een lege plaats (...) als een interval tussen het eigene en het vreemde, tussen zijn en niet-zijn.'

Deze mystieke ervaringen zijn volgens Ten Kate ook Bataille's latere maatschappelijke ideeën blijven beïnvloeden. De vorming van een menselijke gemeenschap vraagt evenzeer een gave en zelfoverschrijding van het individu als het mystieke verlangen naar vereniging met het goddelijke die vraagt. Volgens Richardson kan het laatste tot het eerste worden gereduceerd, en daarmee betoont hij zich een volbloed secularisatie-denker.

Maar, zo blijkt uit de zorgvuldige en zeer uitvoerige (soms té uitvoerige) studie van Ten Kate, daarmee maakt Richardson het zich te gemakkelijk. Bataille mag het rationele en wetenschappelijke denken dan niet hebben verworpen, hij meende wel dat aan de geldigheid daarvan grenzen gesteld waren. Zijn hele oeuvre bestaat volgens Ten Kate uit een verkenning van die grenzen. En daarbij kon hij er niet aan ontkomen deze grenzen voortdurend te overschrijden. De veelkleurigheid van zijn oeuvre (strenge essays naast pornografische romans) wijst daar al op.

Schaduwzijde

Daarom hoort het irrationele, duistere en soms ronduit irritante van veel van Bataille's geschriften ten volle in diens oeuvre thuis, hoezeer Richardson deze ook uit zijn lucide reconstructie tracht weg te filteren. Centraal in Bataille's denken staat de overtuiging dat elk licht zijn schaduwzijde heeft en dat beide slechts bestaan dank zij elkaar. Diezelfde gedachte treft men aan bij post-structuralistische denkers, die door Richardson al even eenzijdig als verstokte irrationalisten worden afgeschilderd. Daarna valt het hem niet moeilijk meer beide kampen ver uit elkaar te drijven.

Tegelijkertijd heeft Richardson echter geprobeerd Bataille te verzoenen met een stroming die gewoonlijk als diens erfvijand wordt gezien: het surrealisme. In de jaren twintig maakte Bataille korte tijd deel uit van de surrealistische kring rondom Breton, tot hij samen met Michel Leiris, Roger Caillois en anderen een eigen tijdschrift oprichtte. Breton spuwde vuur in zijn Tweede Manifest van het Surrealisme; Bataille en de zijnen spuwden terug in het schotschrift Un cadavre, waarin Breton werd uitgemaakt voor 'gecastreerde leeuw'.

Het was een storm in een glas water, en na de oorlog zou Bataille volgens Richardson het surrealisme hebben willen rehabiliteren als de enige werkelijk revolutionaire beweging. Het boek dat hij daarvoor in gedachten had is nooit verder gekomen dan een dozijn bladzijden. Wel heeft Bataille in de naoorlogse jaren regelmatig artikelen aan het surrealisme gewijd, onder andere in zijn eigen tijdschrift Critique. Richardson heeft deze artikelen en verwante teksten onder de titel The Absence of Myth verzameld en vertaald; te zamen zouden zij een beeld moeten geven van het boek dat Bataille nooit schreef en aantonen dat hij van het surrealisme nooit afscheid had genomen.

Het resultaat is minder overtuigend dan Richardson zou willen. Zeker, in een ongepubliceerde, naoorlogse notitie, die men ook in Bataille's Verzameld Werk niet terugvindt, betuigt hij zijn spijt over de breuk met Breton, maar de meeste artikelen getuigen ten hoogste van een lauwe instemming. Veel lauwer, in ieder geval, dan de felle tekst La 'vieille taupe' (de oude mol) uit de dagen van de controverse, die Richardson ten onrechte als weinig substantieel uit zijn bloemlezing heeft gehouden.

Daarbij komt dat Richardson meer dan eens tendentieus vertaalt, hetzij om zijn theorie van Bataille's berouw te ondersteunen (J'ai toujours été d'esprit glissant wordt I had an unstable character), hetzij om Bataille opnieuw in de richting van de sociologie te duwen (l'existence séparée wordt distinct lifestyles). Daarmee heeft hij Bataille voor een Engels publiek ongetwijfeld salonfähiger gemaakt, maar ten koste van een belangrijk deel van diens werk en vooral van de samenhang daarvan. Richardson had gewaarschuwd kunnen zijn. Vlak voor zijn dood in 1962 verklaarde Bataille in een interview met Madelaine Chapsal: “Ik ben altijd, vóór alles, tot de filosofie geneigd geweest.”