Het mansbakje rammelt in driekwartsmaat; De toekomst van het Hollandse draaiorgel

Het draaiorgel, vroeger een vast onderdeel van het Hollandse stadsleven, is tegenwoordig nationale folklore. Dat betekent niet dat de orgelcultuur bloeit. Orgeldraaiers moeten leven van een uitkering, gerenommeerde instrumenten verdwijnen naar het buitenland, en de weinige nog spelende exemplaren lijden onder de toevloed van straatmuzikanten. Heeft het pierement nog toekomst?

De eigenaren van de Lekkerkerker waren te goeder trouw, daarover bestaat geen twijfel. Ze dachten hun klassieke orgel uit 1923, met de gouden klankkleur van de befaamde orgelbouwer Carl Frei, voor ƒ 74.000 te hebben verkocht aan een enthousiaste jongeman die het terug wilde brengen in de straten van Gouda. Pas nadat de koopakte was gesloten, kwam de aap uit de mouw: de koper had als stroman gefungeerd voor een Australiër die het trotse straatinstrument naar zijn eigen werelddeel wilde verschepen om er daar goede sier mee te maken. En die Australiër heeft intussen al één poging gedaan zijn orgel het land uit te krijgen.

Formeel is het echter niet toegestaan de Lekkerkerker te exporteren. Het is één van de vijf orgels die in 1992 door het ministerie van WVC op de lijst van beschermd cultuurbezit werden geplaatst - samen met de Turk, de Pansfluiter, de Puntkap en de wereldberoemde Arabier. Maar omdat de Australische koper tot dusver geen aanstalten heeft gemaakt de Nederlandse wet te respecteren, wordt de Lekkerkerker nu ergens in Nederland voor hem verborgen gehouden. “Het orgel is ondergedoken wegens poging tot ontvoering,” formuleert mr Romke de Waard op schilderachtige, maar juridisch verantwoorde wijze. Onder auspiciën van zijn 'Leon Warnies Stichting tot Behoud van Draaiorgelfolklore in Nederland' wordt via een gerechtelijke procedure getracht vernietiging van de koopovereenkomst te bewerkstelligen. De rechtbank in Rotterdam doet op 2 september uitspraak.

“De hele orgelwereld zit daar nu in spanning op te wachten,” aldus de 75-jarige jurist die het tot raadsheer bij de Hoge Raad bracht, en zich al zijn leven lang voor het draaiorgel inzet (“Men mag mij een orgelgek noemen”). Als het vonnis gunstig uitvalt, zal de koopsom door de stichting zelf op tafel worden gelegd, opdat de Lekkerkerker voor Gouda en voor Nederland behouden blijft. Hoewel de stichting in de afgelopen dertig jaar al circa vijftien draaiorgels voor export heeft behoed door ze zelf aan te kopen, bewijst deze kwestie dat alle gevaar nog lang niet is geweken. “Het grote probleem,” zegt De Waard, “is dat Nederlandse orgels in het buitenland ongeveer het dubbele waard zijn van wat ze hier opbrengen. Een opkoper kan er goed geld mee verdienen. En zelfs die lijst van WVC blijkt dus nog geen absolute garantie te vormen.”

De eerste orgels die na de oorlog werden geëxporteerd, gingen vooral naar Engeland, de Verenigde Staten en Australië. Ze kwamen niet alleen in handen van Nederlandse emigranten met aanleg tot heimwee, maar ook van exploitanten die er pretparken mee dachten op te sieren. In de kolommen van het kwartaalblad Het Pierement, een uitgave van de 1600 leden tellende Kring van Draaiorgelvrienden, is al menige traan over het lot van zulke export-orgels geplengd: ze worden niet goed onderhouden, staan vaak in veel te droge ruimtes en worden zelden meer gespeeld. De ware liefhebber spreekt in dit geval van adieu-orgels.

Veel beter is het de oude, karakteristieke draaiorgels in eigen land te houden en voor buitenlandse gegadigden nieuwe orgels te bouwen. Zo wordt bijvoorbeeld de Japanse markt bediend. Nadat in de jaren zestig al minstens tien klassieke orgels naar het verre land waren getransporteerd, is men er steeds vaker in geslaagd aan de Japanse vraag te voldoen door nieuwe te bouwen. Inmiddels staan er nu, volgens een studie van de sociologe Gerdy Bijleveld, elf grote en drie kleine nieuwe orgels in Japan - vooral in ontvangstruimten van gemeentehuizen in steden die historische banden met Nederland hebben, in musea en vanzelfsprekend in het Holland Village te Nagasaki.

Please, please!

In een loods in de Westerstraat in Amsterdam, middenin de voor eeuwig met het draaiorgel verbonden Jordaan, bouwt ook Leon van Leeuwen aan een orgel voor een Japanse klant. “Er zijn een hoop van die oude gerenommeerde orgels naar het buitenland verdwenen,” beaamt hij, “en daar moet nu een eind aan komen. Ik doe het niet meer; als er uit het buitenland naar wordt gevraagd, zeg ik dat ik liever een nieuwe bouw - en meestal gaan ze daarmee akkoord, ook al gaat er soms een heleboel please, please! aan vooraf. Zelf vind ik die oude natuurlijk mooier dan de nieuwbouw. De klassieke orgels zijn verfijnder; er zit een ziel in. Je kunt dat vergelijken met een viool of een kerkorgel of een schilderij waar, als het goed is, óók een ziel in zit. Het is het gevoel van de kunstenaar, en dat hóór je in de klank van het instrument. Er is ook veel meer tijd aan besteed dan tegenwoordig gebeurt; de nieuwe orgels klinken koeler en zakelijker. Bovendien hebben de oude orgels een heel leven achter de rug, in weer en wind, en dat geeft er warmte en karakter aan.”

Van Leeuwen is de kleinzoon van de legendarische orgelmaker en -exploitant Gijs Perlee en zet in zijn eentje het bedrijf voort, dat in 1875 werd gesticht door de blinde orgeldraaier Leon Warnies. In de hoogtijdagen, tot in de jaren vijftig, had de firma Perlee alleen al in Amsterdam enkele tientallen orgels op straat. Nu zijn er nog maar drie in vaste exploitatie, terwijl de Arabier alleen de loods uitkomt voor het opluisteren van feesten en partijen (zoals laatst nog, bij een trouwpartij in de familie Froger).

Toen de oude heer Perlee in 1987 stierf, was er in zijn ooit zo bloeiende onderneming - het bekendste orgelbedrijf van Nederland - niet eens meer genoeg emplooi voor 's mans beide zonen, die dan ook met een erfenis van vijf orgels per persoon op straat kwamen te staan. Het heeft geleid tot een blijvende brouille in de Perlee-familie, die zelfs na bemiddeling van mr Romke de Waard niet tot bedaren is gebracht. “Een heel beroerd geval,” aldus de éminence grise van de orgelwereld, “maar er was gewoon niet meer voldoende werk.”

Bedroefd en vervuld van bitterheid bouwt Cor Perlee, één van de twee ontslagen zonen, sindsdien in een hoekje van een garage in Amsterdam-Sloterdijk aan zijn laatste orgel. Een klant heeft hij er niet voor, maar het houdt hem tenminste nog even bezig. Hij heeft kosten noch moeite gespaard; niet alleen het instrumentarium is met de grootste zorgvuldigheid gesneden en afgestemd, maar ook de façade oogt authentiek. Toen hij met vakantie in Thailand was, heeft hij daar in een toeristisch bedoeld schildersateliertje twee Biedermeier-achtige portretjes uit een boek op groot formaat laten overschilderen - en het resultaat prijkt nu voorop zijn vooralsnog naamloze orgel: “Het zijn de twee minnaressen van Ludwig I van Beieren, maar dat doet er verder niet toe. Ik vond 't gewoon twee mooie smoeltjes.”

Perlee junior toont zich een somber man, als het om de toekomst van het draaiorgel gaat. “Ik heb al eens gezien dat jonge mensen hun vingers in hun oren stopten als er een orgel begon te spelen,” zegt hij. Slechts één van de vijf orgels uit zijn erfenis is in exploitatie; het wordt voor ƒ 125 per week gehuurd door een Groningse orgeldraaier. Daarmee kan Perlee net de huur van de garage betalen. “Maar het is al een oudere man die er in Groningen mee op straat is. Als die zijn ogen sluit, zie ik geen jongere meer die het van hem overneemt. Het vak van orgeldraaier sterft uit. Jonge jongens komen er niet meer bij.”

Wenkbrauwen

De orgelman was tot in de jaren vijftig een vertrouwde verschijning. In de Amsterdamse binnenstad, maar niet alleen dáár, kwam minstens drie keer per week het orgel langs. Ieder had zijn eigen wijk; als de wijken elkaar kruisten, werd van de betrokkenen enige diplomatie vereist om het niet tot een handgemeen te laten komen. Ten stadhuize werden in de jaren dertig wel eens de wenkbrauwen gefronst. “Feitelijk is het maken van muziek met vergunning op de openbare weg een verkapte bedelarij, opleverende een toestand, de hoofdstad des Rijks onwaardig,” oordeelde de hoofdcommissaris van politie in een brief aan de burgemeester. Maar het orgel bracht vrolijkheid en kon niet worden uitgebannen, hoewel Leon van Leeuwen waarschuwt voor valse romantiek: “Er moesten drie man van leven - de draaier en twee 'mansers' - en die hadden de hele tijd een gevaarte van 1500 kilo de bruggen op en af te duwen. Kapotte ruggen en versleten knieën, dat was het leven van de orgelmannen.”

In de loop van de jaren zestig traden in het werkgebied van de orgelman drastische veranderingen op. De geparkeerde auto's lieten aan de rand van de straat geen ruimte voor een draaiorgel meer over. De alom verrijzende hoge flats waren hoogst onaantrekkelijk; want als het orgel al werd gehoord, nam niemand meer de moeite een raam op vier-hoog open te schuiven om - zoals voorheen - een in papier verpakt dubbeltje naar beneden te werpen. En hoeveel mensen waren er overdag nog thuis? Veel minder dan vroeger.

Sinds het daaropvolgende decennium wordt de orgelman tot overmaat van ramp geconfronteerd met nieuwe concurrenten. Uit steeds meer buitenlanden trekken jongeren naar ons land, die als straatmuzikant in hun onderhoud voorzien. Wie zojuist een gift heeft verstrekt aan een Amerikaan die 'Blowing In The Wind' ten gehore bracht, loopt daarna het draaiorgel voorbij zonder de mansbak te spekken. “Eerlijk is het niet,” constateert Van Leeuwen in zijn loods vol werkloze orgels. “Een orgelman moet nog steeds een vergunning hebben, terwijl de eerste de beste Taiwanese dwarsfluiter zó de straat op kan.” Ook de echtgenote van de Rotterdamse orgelman Henk Roos, die tot voor kort met het pronkjuweel de Cementmolen op de Binnenweg stond, klaagt erover: “Hier zijn het meestal Mexicanen die staan te spelen. Soms ben je gewoon gedwongen om er een straatje voor verderop te gaan. En protesteren helpt niet. 't Is voor iedereen vrij spelen, behalve voor het orgel.”

Een woordvoerder van de gemeente Amsterdam bevestigt de regels: straatmuzikanten kunnen vrijuit hun gang gaan, mits ze een 'bescheiden en dus onversterkt' geluid voortbrengen en 'passief' geld ophalen. De hoed mag derhalve uitnodigend op straat liggen, maar niet onder de neus van passanten worden gehouden. “En aangezien een draaiorgel een vrij fors geluid heeft en er actief geld wordt opgehaald, bestaat daarvoor een vergunningenstelsel.” Dat er zodoende concurrentievervalsing optreedt, is geen reden de voorschriften te herzien. Daar heeft ook de campagne van orgelman Jan de Wit, die in 1974 een vergeefse poging deed met de Amsterdamse Pierementspartij te worden gekozen in de gemeenteraad, niets aan kunnen veranderen.

Handje kleingeld

De orgelman van de jaren negentig kan, kortom, nauwelijks meer op ordentelijke wijze zijn brood verdienen. “Alleen van het orgel leven, dat gaat gewoon niet,” noteerde Gerdy Bijleveld uit de mond van een orgeldraaier. In het kader van haar onderzoek zwaaide ze ook zelf op een zaterdag, op het Damrak in Amsterdam, het mansbakje op en neer op de maat van de driekwartsmuziek. “Wat vooral opvalt,” schreef ze, “is hoeveel mensen niets geven.” Desgevraagd licht ze toe dat de meeste giften de omvang van een kwartje hadden, met de gulden op de tweede plaats en een onduidelijk handje kleingeld als derde. Hoeveel haar mansdag in totaal opbracht, blijkt ze niet te weten. “Als het bakje vol is, gooi je dat in een blik dat in het orgel staat. En ik was er niet bij, toen aan het eind van de dag de stand werd opgemaakt. Orgeldraaiers doen daar trouwens in het algemeen heel geheimzinnig over.”

“Rotterdam heeft nog zeventien vergunninghouders,” zegt mevrouw Roos, “maar de meeste leven van een uitkering. Anders kan het niet meer. Als het regent, is het slecht. En als het mooi weer is, ligt iedereen aan het strand en is het óók slecht.”

De meeste orgels worden nu nog slechts uit idealisme en enthousiasme bespeeld door hobbyisten. Daarvan zijn er nu al enkele tientallen in Nederland en hun getal is groeiende. Ook de drie orgels die Leon van Leeuwen nog in de verhuur heeft - in Lisse, Zaltbommel en Den Haag - worden op die basis tot klinken gebracht. Het gevolg is echter, dat het optreden van de orgels doorgaans beperkt blijft tot festiviteiten in het weekend. Ook de zoon van Henk Roos, die op de Binnenweg de standplaats van zijn vader heeft overgenomen, speelt alleen op zaterdagmiddag.

“Arm volk, ga maar naar house-parties en verrijk je geest,” smaalde een bevlogen scribent in het laatste nummer van Het Pierement.

Nee, zegt Van Leeuwen hoofdschuddend, een house-nummer leent zich niet voor een draaiorgel-arrangement, al was het maar omdat in dit genre 120 beats per minute als minimum geldt: “Dat red je niet op dit soort slagwerk.” Maar hij wil niet de indruk vestigen dat het repertoire per definitie moet blijven steken in de 'Parelvissers', 'Bij ons in de Jordaan' en andere hoogtepunten uit de voorraad populaire opera's en Jordaan-liederen. Op de Arabier is zelfs eens een boogie woogie van Count Basie gespeeld. Uit de metershoge stapels orgelboeken langs de muren haalt hij 'Buena Sera' van Louis Prima tevoorschijn, legt het in één van de orgels en begint met sterke arm aan het loodzware wiel te draaien. Het nummer, een jaren-vijftig-hit met rock-inslag, klinkt kordaat door de hal.

Wellustige wals

Elders, in zijn garage in Slotervaart, heeft Cor Perlee zelfs de 'Tiroler Twist' onder handbereik. Hij deponeert het boek in zijn nieuwe orgel en draait het er doorheen. Het nummer produceert voornamelijk een heidense herrie, want de stokken roffelen als gekken op de trommelvliezen en de violen, de fluiten en de rest van het pijpwerk in het instrumentarium delven auditief het onderspit. Ook zelf moet Perlee trouwens bekennen dat een wellustige wals of een pittige tango hem liever zijn. “Het orgel is toch meer op melodie gemaakt dan op alleen maar op ritme,” zegt hij.

“Het traditionele repertoire is nog steeds het meest gevraagd,” aldus Johan Weima, die in Leiden een eenmansbedrijfje bestiert voor draaiorgelboeken. “De marsen, de walsen van Strauss en Waldteufel, de Jordaanliederen en 'Tulpen uit Amsterdam' natuurlijk.” Maar laatst heeft hij bijvoorbeeld een medley van de hits rond het WK voetbal gemaakt, met een hitparade-nummer over Johan Cruijff, de vernederlandsing van het opzwepende 'America' uit West Side Story en het eertijdse disco-succes 'Y.M.C.A.' “Daar is het orgel uitermate geschikt voor,” zegt hij. Omdat ook het buitenland bij hem aanklopt, kan Weima met zijn hobbyistische ambacht in zijn levensonderhoud voorzien: “Zo lang je met het in rekening brengen van het aantal werkuren een beetje water in de wijn doet, gaat het nog wel. Maar het komt me niet aangewaaid.”

Volgens een telling van Gerdy Bijleveld zijn er op dit moment nog 110 min of meer beroepsmatig geëxploiteerde draaiorgels in Nederland en draaien er nu 50 op basis van hobbyisme. De conclusie van haar sociologische onderzoek luidt echter dat de rol van het orgel inmiddels danig is veranderd. Wat voorheen een onderdeel van het dagelijkse stadsleven vormde, is nu nationale folklore. “Van orkest-en-radio van het 'gewone volk' is het geworden tot toeristische attractie, symbool van Amsterdam en Nederland, en in een aantal gevallen beschermd cultuurbezit.” Het fungeert, in sociologisch jargon, als een invented tradition: liefdevol geconserveerd, maar allang niet meer in de functie die het vroeger had.

Leon van Leeuwen loopt langs de door dekzeilen aan het oog onttrokken orgels in zijn opslagplaats en vertelt honderduit over de bijzonderheden van het wonderbaarlijke straatinstrument. Opeens onderbreekt hij zichzelf om te wijzen op de muziek die van buiten naar binnen dringt. “Hé,” zegt hij, “de Arabier!” Maar de Arabier heb ik hier toch net nog, geheel ingepakt, zien staan? “Ja, nee, op een cassette,” antwoordt Van Leeuwen. In de Westerstraat komt een klein orgeltje voorbij, dat in zijn binnenste een bandje van de Arabier afdraait. Maar aan zijn gezicht kan ik zien dat deze telg uit het Warnies- en Perlee-geslacht het maar behelpen vindt.