Het balkon van Europa; De onweerstaanbare magie van het Drielandenpunt

Het Drielandenpunt is een idee, het heeft paaltjes nodig om zichtbaar te worden, een souvenirwinkel, een uitkijktoren, verbeelding. Het Punt wekt een sluimerend verlangen naar alomtegenwoordigheid. Wie bezwijkt niet voor de verleiding om hier, rondcirkelend, vrijwel gelijktijdig door drie landen te reizen?

Ik rijd over de provinciale weg tussen Kelmis en Gemmenich, vier kronkelige kilometers, door glooiingen van een groen waarin het blauw van overvloedige regens domineert. Het is de kleur van een middeleeuws verschiet, denkt de estheet in mij, het groenblauw van de verte op zoveel schilderijen van de Vlaamse Primitieven, een beloftevolle weidsheid, die hier, in deze noordoostelijke uithoek van België, onder de vroege avondzon ligt te glanzen: door de panoramische voorruit van mijn Citroën aanschouw ik een ongerepte aarde, een Europa zonder skyline, een Avondland waar elk ogenblik een glorieuze Stad Gods uit de bleekblauwe hemel in kan neerdalen - de barstjes in de lucht op die middeleeuwse schilderijen lijken te suggereren dat de hemelvloer al kraakt onder het gewicht van de gouden straten en de muren uit kostelijk gesteente.

Genoeg. De estheet verveelt me, hij is een snob, een weke dromer, een decadent. Weg met hem! Een ander ik, een scepticus, duwt het gaspedaal in en verwacht niets, of liever: hij verwacht dat het achter de volgende bocht of de daaropvolgende wel gedaan zal zijn met dit onverkrachte landschap, want de Euregio Maas-Rijn (zoals de wijde omtrek in 1976 is gedoopt) zal zich toch ergens moeten manifesteren, met haar ijver, haar schoorsteenpijpen, haar onwelriekendheid. Maar er verschijnt enkel meer landschap. De scepticus haalt zijn schouders op. “Morgen,” zegt hij, “kan Brussel die heuvels met één pennestreek verwoesten. Alles wat je ziet is onderworpen aan de wispelturigheid van Europa, van hun Europa. Alles is economisch geworden, iedere heuvel staat in principe te koop. . .” Het is een opinion chic, in zwang in de verlichte kringen waarin ik mij beweeg, en salonmeningen dienen om tegengesproken te worden. Dus zegt een derde ik, een vervelende historicus: “Pardon, maar als iedere heuvel te koop is, hoeft er ook geen enkele meer veroverd te worden. Dat lijkt me een verbetering ten opzichte van de vroegere toestand, toen er hier om de haverklap een leger binnenviel.” De scepticus heeft gelijk. De historicus ook. Als moeder Europa zwanger was van oorlog, gebruikte ze België nogal eens als haar verloskamer.

Midden in dit soort dialectische overpeinzingen staat gewoonlijk een bord. In Gemmenich is het een ouderwetse wegwijzer, een houten arm met een gestrekte wijsvinger, die mij naar rechts stuurt, naar de Trois Bornes, de drie grensstenen, het Drielandenpunt dus. Wat zoek ik daar? Ik, die aan het syndroom van Slauerhoff lijd, te weten een bij uitstek Hollandse afkeer van Holland, van het Hollanderdom en zijn schetterende zelfgenoegzaamheid, zijn zo zorgvuldig over de eigen volksaard gedrapeerde mythe van de tolerantie, zijn tot kosmopolitisme verheven benepenheid, zijn subtiele zelfhaat. . . wat zoek ik in hemelsnaam op die hoogste heuvel van mijn geboorteland?

De weg slingert nu omhoog door een beukenbos en is zo steil dat ik terug moet schakelen naar de tweede versnelling. Natuurlijk rijd ik hier omdat ik me nu eenmaal voorgenomen heb dit grensgebied in kaart te brengen, maar laat ik eerlijk bekennen dat er een zekere bekoring uitgaat van dat Punt, die sterker wordt naarmate ik dichterbij kom. Dat is ook niet vreemd, een driesprong van grenzen heeft iets onweerstaanbaars, iets magisch, althans voor wie in voldoende mate infantiel is gebleven, zoals ik, die bovendien als romantische opponent van dat geünieerde werelddeel van de duizendkoppige zonnekoning in Brussel de idee grens, afbakening, formele beperking verdedig.

Paaltjes

Een grens is een idee, een Drielandenpunt is bijgevolg helemaal een idee: zo'n Punt heeft paaltjes nodig om zichtbaar te worden, een souvenirwinkel, een uitkijktoren, verbeelding. Die paaltjes hebben een min of meer metafysische functie, ze wekken een sluimerend verlangen naar alomtegenwoordigheid, en ik vermoed dat bijna iedereen bezwijkt voor de verleiding om, rondcirkelend als een groot scholastisch insekt, vrijwel gelijktijdig door drie landen te reizen: hoe harder je vliegt, hoe alomtegenwoordiger je bent, daarvoor hoef je het geloofsartikel der ubiquiteit niet eens te kennen.

Maar ik ben vooral nieuwsgierig naar de uitkijktoren. Ooit, als zestienjarige, heb ik op diezelfde toren staan verlangen naar de verte, een broze, poëtische schooljongensgeest vol Fernweh - toen kende ik dat sentiment, nu het woord ervoor. Van het bouwsel herinner ik me weinig, maar als bevlogen gymnasiast was ik vanzelfsprekend op het zuiden georiënteerd, de Latijnse wereld, het mythische land waar de citroenen bloeiden, en ik zal dus wel in de richting van Kelmis hebben staan hunkeren. Later bleek België zuidelijk genoeg voor mij en groeide er uit mijn betrekkelijk sedentaire toestand een andersoortig verlangen, minder op geografische verte gericht, een kalme onrust of een gistende rust, een gevoel dat nooit beter is omschreven dan door Valery Larbaud: “Ik droom van een kamer met uitzicht op alle straten van Europa...” Maar toen, meer dan twintig jaar geleden, droomde ik nog weg bij de aanblik van een concreet zuiden. Wat ik over dit zuiden niet wist, was dat 3,37 vierkante kilometer van de welvingen die mijn adolescentenfantasie vulden nog in mijn eigen eeuw het grondgebied van een vierde land hadden gevormd.

Het 'vierde land' heette Neutraal-Moresnet en was een licht-surrealistisch produkt van de vredesregelingen die na de Napoleontische oorlogen waren getroffen (in zekere zin zou men ook België als zodanig kunnen kwalificeren). Het zat namelijk zo, dat Pruisen en het in 1815 op het Congres van Wenen gestichte Koninkrijk der Nederlanden, omvattende Nederland en België, elkaar de zinkmijnen betwistten die nabij Kelmis, ten oosten van het dorp Moresnet, gelegen waren. 'Galmei' of 'kalmyn' zijn de betoverende middeleeuwse woorden voor het oxydisch zinkerts: zo heette de delfstof ten tijde van de Karolingers en de naam Kelmis, La Calamine in het Frans, is ervan afgeleid. Maar toen kwam de industriële revolutie (door de estheet als een pronkstuk van de duivel beschouwd) en vermenigvuldigde de militair-economische waarde van alle zware metalen, ook van het uit galmei gewonnen zink, dat onmisbaar was voor de vervaardiging van messing. In 1806 begon de firma Dony & Cie. de mijnen met moderne middelen te ontginnen. Tien jaar later, in juni 1816, sloten Pruisen en Nederland het Akens Grensverdrag, en zo ontstond het staatkundige curiosum dat zowel het biedermeier als de Belle Epoque zou overleven.

In dit condominium, bestuurd door een Pruisische en een Nederlandse commissaris, speelde het negentiende-eeuwse Europa met grote toewijding staatje. “Zoals elk zichzelf respecterend land kreeg het betwiste gebied een eigen, zwart-wit-blauwe vlag en een eigen wapen, samengesteld uit de Pruisische adelaar, de Nederlands/Belgische leeuw en twee gekruiste hamers, verwijzend naar de mijnbouwactiviteiten”, schrijft Wim Meulenkamp (aan wiens uitputtende overzicht van de Moresnetse geschiedenis, Het vierde land. Neutraal Moresnet, vondeling van Europa, afgedrukt in Maatstaf 1986/2, ik hier de nodige en elders vrijwel onvindbare gegevens ontleen). Maar belangrijker dan heraldisch vertoon waren echte grenzen. Voor de markering daarvan gebruikte men aanvankelijk eikehouten palen; pas veel later, in 1869-70, verving men die door zestig grensstenen met Romeinse cijfers, waarvan de meeste gewoon in het landschap zijn blijven liggen. Behalve deze rare glyptotheek van de geschiedenis, een handvol vergeelde documenten, kiekjes en wat politieke snuisterijen in het gemeentemuseum schiet er van Neutraal-Moresnet niets over: geen levende in Kelmis die nog herinneringen bewaart aan het Vierlandenpunt en Amikejo, of hij moet honderd zijn.

Bizarrië

Het wonderbaarlijke Amikejo. . . Maar dat was pas aan de vooravond van de Grote Oorlog, toen het oude Europa zijn ondergang tegemoetwalste en Neutraal-Moresnet op de onvoorbereide bezoeker een hallucinogene uitwerking moet hebben gehad. Of verbeeld ik mij dat maar, doordat ik enkel weet heb van bizarre feiten over een land dat beter Bizarrië had kunnen heten? Hoe dat zij, eerst moest in 1830 België nog ontstaan, en in 1839, ten gevolge van een bepaling in het op 19 april getekende vredesverdrag met Nederland, het Vierlandenpunt: het verdrag wees Vaals, negen jaar lang Belgisch, aan Nederland toe, waardoor er van de ene dag op de andere een duizelingwekkende geopolitieke figuur op de kaart van Europa verscheen, nu Nederland zich plotseling uitstrekte tot de noordelijkste grenssteen van Neutraal-Moresnet, dat het nog steeds samen met Pruisen bestuurde, want pas een jaar later erkende Pruisen de Belgische rechten op het Nederlandse commissariaat. (Nog eens dertig jaar later ging Pruisen op in het Duitse Keizerrijk, dat in 1914 België bezette en in 1915 Neutraal-Moresnet bij het Reich inlijfde. Wie dit imbroglio van grenzen en bestuursvormen probeert te ontwarren, wordt mal - maar als ik goed tel, hebben er vier verschillende Neutraal-Moresnetten bestaan en twee Vierlandenpunten, terwijl het huidige Drielandenpunt het derde in zijn soort is. Overigens heeft Nederland anno 1994 nog steeds niet officieel afstand gedaan van zijn territoriale aanspraken op Neutraal-Moresnet.)

Rond de eeuwwisseling telde Kelnis 3500 inwoners, van wie er minder dan 500 de Moresnetse nationaliteit bezaten: deze zogenaamde Neutralen hoefden niet in militaire dienst, maar werden buiten het door grenssteen I tot en met LX afgebakende gebied prompt staatloos, zodat een zondags bezoek aan een suikertante in Gemmenich of de markt in Verviers langs papieren, stempels en ambtelijke handtekeningen voerde, in theorie tenminste. En de rest, die 3000 Belgen, Duitsers en Nederlanders? Onder hen bevonden zich behalve de nodige kompels en mijnbouwingenieurs - avonturiers, prostituées, jeneverstokers (er waren vier distilleerderijen), fiscale vluchtelingen, ondernemers die speelbanken of kuurbaden openden die na drie weken weer gesloten werden, zestig à zeventig cafébazen en dr. Wilhelm Molly.

“Bij de romantische gegevenheden van Neutraal-Moresnet kon natuurlijk een figuur als de Geheimer Sanitätsrat dr. Wilhelm Molly niet lang uitblijven; hij was wat mystici een historische noodzakelijkheid noemen...” (ik citeer nogmaals Meulenkamp). Deze kleurrijke arts, diep in Duitsland geboren, taalkundig begaafd, gek op de wijze der overenthousiasten, brilletje, imperiale knevel, een groot kind van zijn eeuw. . . deze Molly dus, in 1886 al onsterfelijk geworden met zijn uitgave van een serie Moresnetse postzegels, die na zeventien dagen door de commissarissen waren verboden, besloot Neutraal-Moresnet, als het dan geen eigen munt, postzegels of grondwet mocht bezitten, iets anders te schenken, namelijk een eigen taal: het Esperanto.

De doctor beleed het geloof in de nieuwe eeuw, de nieuwe mens, en had zich al enige jaren gewijd aan de studie van het bijbehorende nieuwe koinè, toen hij in 1906 het plan opvatte om de Wereldcentrale der Esperantisten in Neutraal-Moresnet te vestigen en de 3,37 vierkante kilometer tot de onafhankelijk Esperanto-republiek Amikejo uit te roepen. Zoete absurditeit! Al vloeide het hele idee eigenlijk logisch voort uit de filologische heilsleer van dr. Zamenhof, waarvan het voornaamste dogma luidde dat de taal de mens schiep en een nieuwe taal dus een nieuwe mens, die zijn nieuwe medemens niet zou verwensen en voor wie Zamenhof zodoende ook geen vloeken had bedacht (qua ideologie is er uit Polen nooit veel verstandigs gekomen).

Molly, achtenzestig jaar oud, ontpopte zich als een ijverige apostel van het Zamenhof-geloof, liet een volkslied voor Amikejo componeren, bedreef agitprop in het schutterslokaal, kocht de steun van de dorpelingen voor zijn plan met veel bier en correspondeerde als een bezetene met volgelingen van het Poolse genie over de hele wereld. “Tussen januari en maart 1908 wisten meer dan honderdvijftig internationale kranten te melden dat het betwiste gebied inderdaad een Esperanto-staat zou worden. Het Vierde Esperantisten Congres te Dresden had besloten om (-) zijn Wereldcentrale in Neutraal-Moresnet, of Amikejo, te vestigen.” Dat gebeurde op 18 augustus van datzelfde jaar. En verder gebeurde er in esperantistisch opzicht niets meer in Amikejo, behalve dat dr. Wilhelm Molly er in 1919 overleed.

Neu-Moresnet

Op 27 juni 1915 zette Wilhelm II de krabbel die een einde maakte aan Bizarrië: het land had precies negenennegentig jaar bestaan. In 1919 werd Kelmis krachtens het Verdrag van Versailles aan België geschonken, samen met het iets oostelijker gelegen dorp Preussisch-Moresnet, dat voortaan Neu-Moresnet zou heten, en de rest van de Oostkantons. De zinkmijn, grond van alle verwikkelingen, was toen allang gesloten, In het federale België van vandaag behoort Kelmis tot de Duitstalige Gemeenschap van België. Jammer, een Esperantotalige Gemeenschap van België zou de toch al barokke staatsstructuur nog hebben verrijkt.

Er is geen uitkijktoren. Ik parkeer mijn auto op de top van de Vaalserberg, een kleine zandvlakte in de schaduw van omringend loofbos. Aan de Nederlandse kant zie ik een snackbar, aan de Belgische een koterij van Wild-Westachtige fortificaties zonder hoofdgebouw, maar met een terras waar de laatste toeristen van vandaag een ijsje zitten te eten onder een rood-witte parasol van Stella Artois. Het centrum van de zandvlakte is geplaveid met kasseien, waaruit een gietijzeren grenspaal verrijst, geflankeerd door twee stenen hulppalen in obeliskvorm. Daarvoor, zo geplaatst dat je de woorden enkel vanuit het Koninkrijk der Nederlanden kan lezen, een soort zerk met de tekst: “Hoogste punt van Nederland 322,5 mtr boven AP.” Verder niets. Schemering onder Duitse bomen. Het is zes uur.

Ik loop naar het Belgische fort, waarvoor de drie nationale dundoeken hangen te slapen aan hun mast. Iets verderop, dat kan ik nu pas zien, is een arbeider in de weer met een bezem, achter een van die slordige hekken die je in heel België rond bouwterreinen aantreft. Ik kom dichterbij: hij veegt met voorzichtige halen over het nog vochtige beton van een groot vierkant fundament, waaruit stalen sprieten steken. Wanneer ik hem vraag waar de uitkijktoren is gebleven, laat hij zijn kin op de bezemsteel rusten en taxeert zwijgend een tijdje mijn geestelijke vermogens. “Afgebroken,” zegt hij tenslotte in het temerige ABN van de Limburger. “Er komt een nieuwe. Vijftig meter hoog.” Hij draait zich om en veegt verder.

In de souvenirafdeling van het fort koop ik een paar ansichtkaarten voor mijn archief, de verdwenen toren, gezicht op de poppenhuisdaken van Aken, gezicht op het groene, groene Geuldal. Een boek over het Drielandenpunt is niet verkrijgbaar, wel een vaalgele brochure in offset, Drielandenpunt, geschiedenis, flora en fauna getiteld, geen auteur, geen jaartal, alsof het geschrift uit de eeuwigheid is neergedwarreld. Bladerend in dit boekje wandel ik terug naar de gietijzeren grenspaal nummer 1 (“in de eerste wereldoorlog ooit nog door de Duitsers gepikt en in een Akens museum geplaatst”); maar net als ik, heel infantiel, bedenk dat ik, 322,5 meter boven de Grachtengordel, voor het eerst in mijn leven in België en Nederland tegelijk zit te lezen, met mijn derrière op de rechterpaal (“...draagt het jaartal 1928, maar op de foto's van 1914 is hier al een soortgelijke paal te zien.”), lees ik: “Grenssteen 193 is in 1824 geplaatst en markeerde toen de grens tussen het koninkrijk Pruisen, het koninkrijk der Nederlanden en het neutrale Moresnet. De drie palen op het plein zelf zijn daar uitsluitend symbolisch bij elkaar geplaatst.” Het absolute Punt, nummer 193, ligt inderdaad tien passen zuidelijker, ik ben niet alomtegenwoordig, en nu zie ik ook opeens een hunebedkei uit 1986, die in bronzen letters de eerste tien Jaar-Jahre-Ans van de Euregio Maas-Rijn gedenkt. Ik vraag me af hoe lang de Unie haar anachronistische grenspalen nog zal tolereren. De mijne begint pijn te doen. Ik heb dorst.

Wilhelminatoren

Weer in België, met een blikje Stella op het terras, bekijk ik de afbeelding van de nu gesloopte Boudewijntoren, een luchtige, optimistische, ijzeren constructie, vierendertig meter hoog, bouwjaar 1970: de lasnaden waren nog warm toen ik op dat bovenste platform mezelf ver weg droomde. En vroeger? “De eerste toeristische voorziening was de Wilhelminatoren (1905). Deze houten uitzichttoren heeft brand en oorlogsgeweld gekend. Tot viermaal toe is hij herbouwd. In de laatste wereldoorlog werd hij door de Duitsers tot verboden gebied verklaard vanwege de goede kijk op het Reich die men van daarboven had.” Zou mijn vriend dr. Molly weleens op die houten toren hebben staan dromen, niet van grenzen die hij overstak, bloeiende citroenen, Wilhelm Meister, daarvoor was hij veel te oud en hij hàd de negentiende eeuw al eens meegemaakt maar wel van een groot, vredig, grenzeloos Amikejo, Amicië, Vriendenrijk (als het dat betekent)?

Een paar Europese kinderen in fluorescerende joggingpakjes beginnen te dreinen, ouders staan zuchtend op, auto's worden gestart, en nu is het Punt leeg, op mij en de beheerder van het fort na. Hij komt informeren of ik nog iets wil drinken, want hij gaat sluiten. Nog een blikje Stella, en weet hij soms wanneer de nieuwe uitkijktoren wordt geopend? “Dat is volgende maand, meneer,” zegt hij op een obertoon, alsof hij wisselgeld neertelt. Hij verdwijnt weer naar binnen. Ik kijk naar de andere kaarten: het Vlaams-primitieve groenblauw van de estheet, het Aken van de historicus, waar het Grensverdrag gesloten is, maar dat zich ook leent voor associaties met het Frankische Rijk van Karel de Grote, die eerste van de unitaire gedachte bezeten Europese vorst sinds de Oudheid. Wat mij betreft, denk ik, mag die nieuwe toren naar Richard von Weiszäcker worden vernoemd, en 'het balkon van Europa' als bijnaam krijgen - het balkon van die romantische kamer waar Larbaud het over had, de kosmopoliet die liever in zijn boeken reisde dan in de werkelijkheid. Maar wie ben ik? “Sta me toe dat ik lach,” zegt de scepticus. “Zestien meter hoger zul je misschien de lelijkheid van het corrupte Luik kunnen zien. Alle straten van Europa, jouw Europa? Het idee! Dan krijg je ook die van Sarajevo erbij, alle vergeefsheid van een geschiedenis die nu al veel te lang duurt, de hele condition européenne, om dood- en doodmoe van te worden. . .”

De ober-beheerder brengt de Stella, neemt mijn geld in ontvangst en zegt dan, alsof hij eindelijk het vervolg op zijn vorige, allang verwaaide zin heeft gevonden. “De nieuwe toren wordt vijftig meter hoog.” Hij heeft een licht, aangenaam accent. “U spreekt uitstekend Nederlands,” zeg ik om iets terug te zeggen. “Ik kan nauwelijks horen dat u een Waal bent.” Hij glimlacht een seconde naar een punt in de verte. “U vergist zich, meneer,” zegt hij dan. “Ik kom uit Beieren.”

    • Benno Barnard