Als je wilt denken, moet je schrijven; Dichteres Maria van Daalen en de vernieuwde Revisor

In het eerste nummer van het vernieuwde tijdschrift de Revisor is tot verbazing van de trouwe lezer alles op zijn kop gezet. Dit is mede het werk van de dichteres Maria van Daalen, die door het bestuur van Stichting De Revisor is gevraagd om het noodlijdende tijdschrift te veranderen. “Wij willen weer schrijvers die hun nek uitsteken.”

De gedichten van Maria van Daalen zijn uitgegeven bij Querido: Raveslag, 48 blz. prijs ƒ 25,-; Onder het hart, 48 blz. prijs ƒ 27,50; Het Hotel, 62 blz. prijs ƒ 27,50

Na afloop van het 'officiële gedeelte', als het eigenlijke interview achter de rug is, vraag ik aan de dichteres Maria van Daalen hoe ze bij uitgeverij Querido is terechtgekomen. We zitten te eten in een Gronings bruin café, buiten hangen studenten met glazen bier loom in een vensterbank. Ze vertelt hoe ze haar gedichten eerst naar De Bezige Bij had gestuurd. Ze had wat los werk in het tijdschrift Raster gepubliceerd en het lag voor de hand om voor een bundel de uitgever van dat blad te benaderen. De Bezige Bij liet echter al snel weten niets voor een uitgave te voelen. Het pakje verzen ging daarop door naar Querido, waar men de eerste tijd helemaal niets liet horen.

Aan de in 1990 overleden dichter Hans Faverey komt de eer toe de dichteres aan de obscuriteit te hebben ontrukt. Tijdens een borrel van Raster werd Van Daalen onverwacht aan hem voorgesteld en tot haar grote verrassing begon Faverey onmiddellijk werk van haar te citeren. Hij bleek een bewonderaar van haar te zijn en vroeg wanneer de eerste bundel uitkwam. Van Daalen bekende dat De Bij er geen interesse voor had en dat Querido zweeg als het graf. Faverey liep daarop naar de op de borrel aanwezige Bezige-Bij-top toe om hen uit te foeteren. Hoe konden ze dit grote talent laten lopen!

Met Maria van Daalen kon het niet meer mis gaan. Faverey belde bijna dagelijks naar Querido om te zeggen hoeveel talent er in hun postvak lag. “Ze konden het zich niet meer permitteren om nee te zeggen. Ze moesten het wel uitgeven.”

Wie argeloos de boekwinkel binnenloopt zou het misschien niet zeggen, maar de laatste maanden is een revolutie gaande in de literaire tijdschriften. Vooral sinds het Literair Productiefonds vorig jaar op aandrang van het Ministerie van WVC aan de tijdschriften rapportcijfers is gaan uitdelen, en de overheidssubsidie minder vanzelfsprekend werd, is het ene blad na het andere overgegaan tot een kritisch zelfonderzoek. Maatstaf zette redacteur Theo Sontrop aan de kant en zal vanaf volgend jaar nog slechts goed verkopende thema-nummers uitbrengen. Raster is al enige tijd bezig op een breder publiek te mikken. Hollands Maandblad hoopt met een verjonging van de redactie actueler en polemischer te worden. De Gids is nog met een grondige bezinning bezig. Maar het opvallendst is de cultuuromslag bij De Revisor, het tijdschrift dat tien jaar lang de toon aangaf bij de introductie van nieuw Nederlands proza.

In het in april verschenen eerste nummer van de 21ste jaargang bleek tot verbazing van de trouwe Revisor-lezer alles op zijn kop te zijn gezet. Het formaat was anderhalf keer zo groot geworden als het was, er was een andere druktechniek gebruikt, op de ooit zo uitgebalanceerde omslag stond een stuitende foto van een puisterige kaalkop, en ook door het hele nummer heen staarden onbekende dames en heren ons aan.

Denkend tijdschrift

Wat was er gebeurd? Eén van de drijvende krachten achter de veranderingen is de Groningse dichteres Maria van Daalen (1950). Samen met de Noordhollandse dichter Jacob Groot (1947) en de uit Friesland afkomstige romanschrijver Kees 't Hart (1945) werkte zij het afgelopen jaar een geheel nieuwe formule uit. Het gevolg was dat de oprichter en huisideoloog Dirk Ayelt Kooiman na twintig jaar trouwe dienst uit de redactie verdween, er werd ruimte gemaakt voor lange, verhalende poëzie in de traditie van Walt Whitman, er werd een vaste 'huisfilosoof' aangesteld (de in Nederland nog onbekende Amerikaan Stanley Cavell), en A.F.Th. van der Heijden, die ooit als Patrizio Canaponi in het blad debuteerde, keerde na vele jaren terug naar de moederschoot. De komende tijd zal hij voorpublikaties leveren uit zijn cyclus 'De tandeloze tijd'.

Op de eerste bladzijde van de nieuwe jaargang legt de nieuw aangetreden redactie tegenover de lezer uitvoerig 'verantwoording' af voor de vele nieuwigheden. De richting die De Revisor voorstaat, is die van het 'denkende tijdschrijft'. Tussen ethiek en esthetiek wil men een gebied ontginnen van 'betrokkenheden, standpunten, terugblikken, perspectieven'. En het blad wil de literatuur weer een geweten laten zijn, 'een geweten van zintuigelijkheid doordrongen.'

Als ik, beneveld door zoveel mooie woorden en nog enigszins verward door de onverwachte inhoud, Maria van Daalen vraag naar de achtergronden van deze beginselverklaring, legt ze uit dat De Revisor, anders dan de andere noodlijdende tijdschriften, niet zijn toevlucht wilde zoeken in een populairdere benadering of in allerlei themanummers. De Revisor moest weer een echt literair tijdschrift worden, in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Liever elke keer hetzelfde duidelijk herkenbare blad dan steeds weer een reeks nieuwe verrassingen.

De benoeming van Maria van Daalen door het bestuur van de Stichting De Revisor is om verschillende redenen opmerkelijk. Ze maakt geen deel uit van de literaire cirkels waaruit de meeste andere literaire bladen hun redacteuren recruteren. Net als haar mederedacteur Kees 't Hart woont ze ver van het randstedelijke literatuurbedrijf met zijn trends en modes. Samen met haar man en haar veertienjarige dochter bezit ze een verbouwd pakhuis in een zijstraat van de Groningse Noorderhaven. Ze heeft zich ook niet altijd even sterk geïdentificeerd met het blad waarvan ze nu redactrice is. Ze debuteerde tien jaar geleden in Raster en ze heeft haar abonnement op De Revisor op een gegeven moment zelfs opgezegd, uit woede over een verhaal ('De Minnema Variaties') van Nicolaas Matsier dat haar in het geheel niet beviel.

Strijdbaar

De reden dat Maria van Daalen nu toch de leiding heeft gekregen bij het omvormen van De Revisor is dat ze waarschijnlijk één van de strijdbaarste auteurs is uit het over het algemeen vrij brave Querido-fonds. De dichteres is in de Nederlandse literatuur, zacht gezegd, een opvallende verschijning. Niet alleen uiterlijk, wegens haar rijzige klassieke gestalte die op alle drie haar boeken prominent is afgebeeld, maar ook om wat ze schrijft. Van Daalen debuteerde pas op haar 39ste, met de bundel Raveslag (1989), maar dat was dan ook meteen een debuut om rekening mee te houden. Aan de gedichten was te merken dat er een lange incubatietijd aan vooraf was gegaan. Er was aan gekneed en geschaafd tot ze hun uiteindelijke, onwrikbare vorm kregen.

De bundel verraadde invloeden van dichters als Faverey en Kouwenaar, die ze beide bewonderde. Ironie, romantiek of realisme kwam er niet in voor. Van Daalen gebruikte intrigerende, duistere beelden die op zelfverzekerde, bijna visionaire toon werden neergezet. Op de omslag van de eerste bundel staat ze zelfs als een zieneres met een blinddoek afgebeeld. Raveslag had ook meteen een eigen thematiek. Van Daalen kiest onderwerpen die dicht bij haar eigen ervaring als moeder of minnares liggen, in termen die bekend zijn uit de klassieke poëzie. Ze schrijft over liefde en passie, vruchtbaarheid en moederschap, geboorte, pijn en dood.

Vooral in haar tweede bundel Onder het hart (1992) wordt dit vrouwelijke element explicieter, met regels als: Een kind is een schild tegen de dood / zo maar wiegend in het water. / Het draagt al eigen nagels mee / en schopt tegen de geluiden. Van Daalen gebruikt daarna symbolen als aarde, zaad, of zand, of roept apocalyptische beelden op om zo haar diepste verlangens en angsten gestalte te geven. Ze wil met haar werk het stilstaande water van de literaire vijver in beweging brengen. “Taal is wat vastligt, ik wil beweging.”

In haar dit voorjaar verschenen derde bundel Het Hotel, waaruit het hierbij afgedrukte gedicht 'Diner Dansant' stamt, worden de gedichten gecompliceerder en langer. “Ik probeer het nu wat verhalender te maken,” zegt ze, “om het effect van de gedichten wat te rekken, over een langere boog.” Door het gebruik van herhalingen krijgen de gedichten daarbij soms het karakter van litanieën. In de 'Brief over het eindige' waarmee de bundel afsluit schrijft Van Daalen: “Niets is zo zonder nut als de liefde. / Niets is zoveel groter dan het zand dat knarst tussen mijn tanden.” Het zinnetje maakt deel uit van een acht pagina's lang gedicht, waarin landschappelijke, kosmische en persoonlijke beelden door elkaar worden gebruikt.

Zelfgenoegzaam

Op haar van de hitte afgeschermd stalen balkon legt Van Daalen uit hoe ze na haar aanvankelijke scepsis uiteindelijk toch weer bij De Revisor is binnengehaald. Het bestuur van de Stichting De Revisor die het tijdschrift uitgeeft, moet twee jaar geleden tot de conclusie zijn gekomen dat er nu echt nodig iets aan de formule moest veranderen. Het blad leed volgens velen aan gezapigheid en zelfgenoegzaamheid en het aantal abonnees liep in hoog tempo terug. De Revisor had aan het eind van de jaren zeventig zo'n vierduizend abonnees, dit jaar zijn dat er nog maar negenhonderd. Omdat de redactie in hoge mate autonoom was, kon de voornaamste sponsor (Querido) eigenlijk alleen dreigen de financiering stop te zetten. En dat deed men dan ook maar. En dat hielp. Er kwam een compromis uit de bus dat er op neer kwam dat Van Daalen als redacteur namens Querido de leiding zou krijgen, samen met de haar vrijwel onbekende dichter Jacob Groot, een vertrouweling van oprichter Dirk Ayelt Kooiman.

De twee dichters, die tot op grote hoogte elkaars tegenpolen waren, werden zo letterlijk tot elkaar veroordeeld. De strenge Maria van Daalen, die zichzelf omschrijft als een 'taalmysticus' en iemand die vooral geïnteresseerd is in taalfilosofie, moest een blad gaan maken met de veel meer cultuurfilosofisch georiënteerde Jacob Groot, de dichter die nog ver in de jaren zeventig (onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger) zeer romantische verzen publiceerde. Maar nadat de twee prozaschrijver Kees 't Hart als verbindende factor bij de onderneming hadden betrokken, gingen ze toch een half jaar lang 'in conclaaf'. Omdat ze niet tot een vriendenclubje behoorden, wilden ze elkaars verlangens en voorliefdes doorgronden en dat lukte. “Een volledige breuk met het verleden wilden we niet. Er is een Revisor-erfenis die wij wilden voortzetten, de erfenis van Kellendonk, met zijn nadruk op vormgevingsaspecten.” Maar wat daaraan moest worden toegevoegd, zo vonden ze, was gepassioneerdheid. Op de vraag wat we ons daarbij precies moeten voorstellen, zegt van Daalen: “Passie duidt op een grote betrokkenheid, een volledige inzet van de schrijver bij alles wat hij schrijft.” De Revisor zou daarom stoppen met de academische stukken met veel distantie. “Wij wilden weer schrijvers die hun nek zouden uitsteken.”

Passief

De huidige redactie wil ook veel duidelijker keuzes gaan maken. “De Revisor was vroeger vooral erg dik. Reken maar uit: honderd bladzijden van achthonderd woorden, dat is bij elkaar elke keer een heel dik boek. De redactie was daarbij erg passief. Men reageerde op wat er binnenkwam, maar initieerde geen stukken.” Door zelf weer initiatieven te tonen moet het blad nu meer een eigen gezicht krijgen.

Ik vraag Van Daalen welke opdracht ze heeft meegekregen van het bestuur van de Stichting De Revisor. Ze zegt met haar mederedacteuren in feite carte blanche te hebben gekregen. Er viel wat haar betreft ook weinig over de inhoud te onderhandelen. Later geeft ze toe dat het Stichtingsbestuur aanvankelijk heeft gevraagd om rekening te houden met de doelgroep, de lezerskring. De redactie is daar, naar ze zegt, echter niet op ingegaan. Ze maakten een blad volgens hun eigen inzichten of ze maakten geen blad. Tijdschriften kun je alleen maar vorm geven door ze te maken. “Als je wilt denken, moet je schrijven. Alleen zo kun je formuleren wat je probleem is.”

Maria van Daalen: “Als ik een heel mooi gedicht wil maken, weet ik ook pas wat het wordt, als het af is. Je kunt jezelf nu eenmaal niet op je schaduw trappen. Wat je maakt, ontsnapt aan wat je maken wilt.”

UIT: MARIA VAN DAALEN, HET HOTEL

Diner dansant

Als mijn keel gevuld is met zaden

en ik uitzijg in wortels en ingewand

moet iemand mijn vlees weggeven.

Iemand die danst op mijn graf, die

lacht om het zand en mijn nagels

en oogharen eentweedrie aftelt. Als

het gebeurt, het gebeurt: dan

ben ik het wegzijn, het overgeven

in leemte, steken mijn botten.

Leg mij een steen op de schedel

koop eten, mijn woorden, en geef mij

aan stukken zodat ik gelukkig

verdwijnen kan, deel mij de pijn.