Reactorbouwers stuiten op Russische koelte

Op de recente topconferenties van de Europese Unie (Korfoe) en van de zeven grootste industrielanden (G7 in Napels) is opnieuw veel geld beschikbaar gesteld voor verbeterering van - vooral - de nucleaire veiligheid in Oekraïne. De jaren daarvoor had het Westen kapitaal uitgetrokken om reactoren in Rusland en de Russische reactoren in Oost-Europa te verbeteren. Maar Rusland en Oekraïne zijn koel tegenover de Europese reactorbouwers 'die als arme duivels om projecten vechten'. En het Dutch Nuclear Consortium moet genoegen nemen met de kruimels die de groten laten liggen.

Ruim een jaar geleden is het nu dat Nederlandse nucleaire experts, in Den Haag bijeen voor het symposium Topnux, met trots bekend maakten dat Nederland in een 'twinning program' een samenwerking was aangegaan met de directie van twee kerncentrales in de voormalige Sovjet-Unie om de veiligheid van de Russische reactoren te verbeteren. Nederland had kerncentrales geadopteerd in het zuiden van Oekraïne en op het schiereiland Kola. Of Kalinin, daar zou men de fax nog eens op nakijken, het bericht was net binnen.

Het was hoe dan ook leuk nieuws voor het Energie-onderzoek centrum ECN en de ingenieursbureaus Kema en Nucon (Comprimo/Stork) die in Nederland niet veel uitzicht hebben op lange termijncontracten en nu aangespoord en aangevoerd door directeur ir. H. Arnold van de kernreactor Dodewaard, met geld van de Europese Unie de nucleaire vingervlugheid in stand konden houden.

De oprichting, in 1991, van de Twinning Project Engineering Group (TPEG) was een kunstgreep om de bestuurlijke moeilijkheden in het Europese Tacis-programma voor technische assistentie aan de GOS-staten te omzeilen. Geïnspireerd door een kennelijk effectieve samenwerking die Electricité de France (EdF) en het Belgische Tractebel al met een aantal kerncentrales in de GOS hadden bereikt was het besluit gevallen ook andere gevaarlijke reactoren in de voormalige Sovjet-Unie door zeven Europese elektriciteitsproducenten met nucleaire expertise te laten adopteren. Het gebruik van bestaande structuren zou tijdwinst opleveren.

Samen met technische groepen aangevoerd door Tractebel en het Spaanse Unesa, die dezelfde pleegkinderen kregen toegewezen, zou het Dutch Nuclear Consortium DNC (ECN, Kema en Nucon) de hand aan de ploeg slaan. Weldra reisden Nederlandse delegaties naar het oosten, om eens van dichtbij te bekijken wàt er nu precies geadopteerd was. “We wisten eigenlijk helemaal niet wat daar stond en wat er loos was”, zegt ir. J.R. van Seuren van het ECN. Wat er stond, in Zuid-Oekraïne en Kalinin (want het was Kalinin), waren Russische reactoren van het type VVER-1000, drukwaterreactoren met een elektrisch vermogen van ongeveer 1000 MegaWatt, vergelijkbaar met de reactoren die in het westen door Siemens, Framatome en Westinghouse worden geleverd. Naar westerse maatstaven schort er veel aan de VVER-1000's, maar lang zoveel niet als aan de beruchte RBMK's (het Tsjernobyl-type) en de oudste drukwaterreactoren VVER-440 (model 230) die het Bulgaarse Kozloduy zo'n slechte naam hebben bezorgd. Nederland kreeg pleegkinderen toegewezen die niet zo heel veel verpleging nodig hadden.

Wie dezer dagen bij de betrokken instituten naar de vorderingen komt vragen, ontmoet verbittering en berusting. De Nederlandse pogingen om een hapje mee te eten uit de Tacis-ruif zijn alsnog vastgelopen in Europese machinaties en kennelijke Russisch-Oekraïense onverschilligheid. Van Seuren: “Spanje heeft uiteindelijk de leiding genomen en is samen met Tractebel aan de slag gegaan. Op den duur hebben die twee ons volkomen van het veld gespeeld. We sturen nog wel eens een fax maar we krijgen geen antwoord meer.”

Arnold heeft DG-1, het Europese directoraat voor externe betrekkingen, in maart nog schriftelijk om opheldering gevraagd maar veel geholpen heeft dat niet. “Het idee van die twinning programs was ook veel te zwak uitgewerkt, ” heet het nu.

Inmiddels heeft het Nederlandse consortium de hoop gevestigd op samenwerking in weer een ander verband: in het European Nuclear Assistance Consortium (Enac) waarin ook reuzen als Siemens, Framatome, EdF en de Britse National Nuclear Corporation (NNC) vertegenwoordigd zijn. Tot nu toe heeft Enac twee opdrachten in het kader van de programma's Tacis (voor de GOS-staten) en Phare (voor Oost-Europa) binnen gehaald. Eén voor generieke steun aan de VVER's, een voor verbetering van de vier VVER-440 reactoren (model 213) in het Tsjechische Dukovany.

Opdrachten aan Enac worden binnen het consortium verdeeld op basis van bruto-nationaal produkt, opgesteld nucleair vermogen en nucleaire expertise. Voor Nederland komt dat in het gunstigste geval neer op een aandeel van zo'n 4 à 5 procent. Een vetpot zal het daarom niet worden, maar de kans dat DNC rechtstreeks opdrachten verwerft wordt nog lager aangeslagen. Om niet te achterhalen redenen weten de Nederlandse bedrijven maar zelden door te dringen tot de Brusselse 'short lists' van geselecteerde gegadigden voor een nieuwe opdracht. De enige lijn die zichtbaar lijkt, is een streven om bij het verlenen van opdrachten zoveel mogelijk de grootste reactorbouwers gelijkelijk aan hun trekken te laten komen. “Brussel is een onvoorstelbare kleefmassa die niet is te doorgronden”, zegt ir. G. Küpers van Nucon.

De Nederlandse ervaringen in de omgang met Russische en Oekraïense nucleaire autoriteiten worden niet gedeeld door de grotere EU-landen maar bevatten wel componenten die ook bij de andere contacten een rol spelen. Er is de opvallende gretigheid van westerse ingenieursbureaus en reactorbouwers om daar in het oosten aan de slag te gaan, er is de onvoorstelbare administratieve chaos veroorzaakt door over elkaar heen tuimelende westerse hulpprogramma's en er is - pijnlijk genoeg - een toenemende terughoudenheid, overlopend in tastbare weerzin in Oekraïne en Rusland, vooral onder politici en het nucleaire establishment, om die westerse technici ook werkelijk binnen te laten. Graag willen, niet kunnen en nog nauwelijks welkom zijn, dat is ruwweg het beeld.

Het is natuurlijk ook de Russische en Oekraïense autoriteiten niet ontgaan dat de westerse hulpvaardigheid voornamelijk door eigenbelang wordt ingegeven. Zeker zal er wel oprechte bezorgdheid zijn over de risico 's die de bevolking in de vroegere Sovjet-Unie loopt, zoals er de vrees is zèlf door fall-out getroffen te worden. Maar minstens zo manifest is de angst dat na een nieuw dramatisch ongeluk in het oosten de acceptatie van kernergie in het Westen definitief zou verdwijnen. Dat zou de doodsklap zijn voor de reactorbouwers Siemens, Framatome en het Zweeds-Zwitserse ABB die weinig toegang hebben tot de nucleaire groeimarkten Japan en Zuid-Korea (waar Amerikanen en Canadezen de toon zetten). Door de huidige nucleaire malaise in het westen (het Harrisburg- en Tsjernobyl-effect) verkeren de Europese reactorbouwers nu al in zo grote moeilijkheden dat betrokkenheid bij de modernisering van de Russische reactoren bijna beslissend lijkt voor hun voortbestaan. “Ze vechten als arme duivels om een project in de wacht te slepen,” zegt Küpers van Nucon. Zo groot zijn de verwachtingen die Siemens, Framatome, EdF c.s koesteren van een vertrouwensband met Rusland en Oekraïne dat de ondernemingen al voor miljoenen eigen geld aan steun hebben verleend.

Maar het westerse vuur ontmoet steeds meer koelheid. De beste illustratie van de groeiende desinteresse in het oosten is de recente Oekraïense afwijzing van de genereuze steun die de Europese Unie op de top in Korfoe (eind juni) en de G7 op de top in Napels (begin juli) aanboden voor beveiliging en sluiting van de reactoren van Tsjernobyl en voltooiing van drie in aanbouw zijnde VVER-1000 reactoren (als compensatie voor het vermogensverlies). Die hulp, voor ruim 300 miljoen dollar als schenking en voor ruwweg hetzelfde bedrag als lening, is eenvoudig 'onvoldoende' genoemd. Sluiting van Tsjernobyl wordt daarom niet overwogen.

Een andere aanwijzing is de minimale haast die Rusland en Oekraïne maken met de oplossing van de aansprakelijkheidskwestie rond de herstelwerkzaamheden aan hun reactoren. Het meest voor de hand liggend is ondertekening van de conventie van Wenen (1963), zoals Hongarije en Litouwen inmiddels deden en Tsjechië op het punt staat te doen. De conventie legt - de schuldvraag passerend - de aansprakelijkheid voor schade bij een ongeluk uitdrukkelijk alleen bij de exploitant van een kerninstallatie en beschermt externe reparatieploegen tegen claims. Nu wordt de kwestie steeds per opdracht geregeld, wat ondernemingen met een groot eigen vermogen, zoals Siemens, tot grote voorzichtigheid maant.

De laksheid in verband met de aansprakelijkheidkwestie is lange tijd toegeschreven aan onvermogen, aan de bestuurlijke chaos in de twee staten, maar lijkt inmiddels een teken van onverschilligheid of zelfs van ergernis. Zoals deskundigen van Siemens onlangs tijdens een persbijeenkomst in Erlangen uitlegden: de westerse kritiek op de Russische reactoren wordt ook beschouwd als een publieke vernedering die het Russische prestige als nucleair exportland aantast. Het is veelzeggend dat de Russische vice-premier Sjochin, na de G7-top in juli, eiste bij de voltooiing van de drie VVER-1000 reactoren in Oekraine betrokken te worden. In Rusland leeft nog steeds de hoop dat men een deel van de marktpositie binnen het oude Comecon-verband kan bewaren. Hier en daar wordt al spijt uitgesproken over het besluit om de westerse concurrenten toegang tot de keuken te geven. “Anderzijds”, zegt ingenieur Manfred Schramm van Siemens, “hebben ze toch ook bij ons mogen rondkijken.”

Het minst was de Russische nucleaire ponteneur een hindernis in de Oosteuropese landen. Het bedienend personeel van de reactoren daar werd vaak lokaal aangetrokken en in voormalig Tsjechoslowakije werden de reactorvaten zelfs in licentie door Skoda vervaardigd. In de voormalige DDR, in Tsjechië, Slowakije, Bulgarije en Hongarije kon zo met een zekere voortvarendheid worden opgetreden. De vier VVER-440's in het Oostduitse Greifswald gingen dicht zodra West-Duitsland er zeggenschap over kreeg (1990), de twee gevaarlijkste VVER-440's in het Bulgaarse Kozloduy werden een jaar later gesloten. De aanpassing van de vier andere reactoren in Kozloduy kreeg hoge prioriteit na de schokkende beschrijving van de situatie daar door het IAEA in 1991. 'Kozloduy' is een van de twee projecten die met geld van de G7 op gang zijn gebracht.

De bestaande VVER-440 reactoren in Tsjechië (Dukovany) en Slowakije (Bohunice) zijn ondergebracht in het Europese Phare-programma. Na een korte bouwstop worden de twee VVER-1000 reactoren in het Tjechische Temelin nu volgens westerse maatstaven voltooid onder leiding van Westinghouse (dat al in de jaren zeventig ervaring opdeed met twee VVER-440's in Finland). Want Europa is er ook nog eens niet in geslaagd de Amerikanen buiten de deur te houden.

Binnen de voormalige Sovjet-Unie ondergaan de twee reusachtige 1500 MW RBMK's van Litouwen (Ignalina) onder leiding van het Zweeds-Zwitserse ABB een upgrading met geld van de G7 en een bilateraal steunprogramma van Zweden. Framatome is betrokken bij behoedzame pogingen om de twee Armeense VVER-440's, die begin 1989 uit vrees voor aardbevingen werden gesloten, weer in gebruik te nemen. De behoedzaamheid geldt hier ook de reactie van Azerbajdzjan dat de Armeense elektriciteitsproduktie niet graag hersteld ziet.

Het was de Europese nucleaire lobbygroep Foratom die in februari van dit jaar op een persconferentie aandacht vroeg voor het feit dat, alle goede bedoelingen ten spijt, nog vrijwel niets wezenlijks is verbeterd aan de veiligheid van de reactoren in Oekraïne en Rusland. Van Seuren van het ECN gaf al eerder, in 'De Ingenieur' (november '93), een levendige en onverhulde beschrijving van de geweldige chaos die daar door alle betrokkenen is aangericht. Ruime aandacht gaf hij de incompetentie van de Europese Commissie die niet in staat is leiding te geven aan het Tacis-programma, laat staan dat te laten harmoniëren met de steun die de G7 via de Oosteuropabank (EBRD) verlenen en de niet geringe 'derde geldstroom' uit de - nauwelijks bekende, maar opvallend succesvolle - bilaterale programma's van de VS (het Lisbon Initiative van juni '92), Canada, Zweden, Finland en afzonderlijke lidstaten van de EU. De Russen hebben, schrijft Van Seuren, het vertrouwen in de westerse hulp verloren en dringen steeds meer aan op financiële in plaats van technische hulp.

Toch valt niet alle 'schuld' op de hulpverleners te schuiven. Ook in de voormalige Sovjet-Unie hebben zich, sinds Gorbatsjovs eerste verzoek om nucleaire bijstand uit 1986, weinig ontwikkelingen voorgedaan die de verbetering van de reactorveiligheid ten goede kwamen. Het uiteenvallen van de unie in december 1991 vernielde de bestaande bestuursstructuur en ontnam het Westen een aantal vaste aanspreekpunten. In de economische chaos die volgde ruilden veel reactor-operators hun beroep in voor een baan die beter betaalde - veel controlekamers zijn nu onderbezet. Anti-Russische sentimenten in Oekraïne bemoeilijken de samenwerking met de Russische leveranciers van de reactoren. De onderdelenvoorziening stagneert en de westerse helpers kunnen vaak niet zelf onderdelen leveren. Vaak wordt het ze ook gewoon verboden.

Last but not least is er het zwalkende beleid in Rusland en Oekraïne ten aanzien van de toekomst van kernenergie. Was er, kort na de ramp bij Tsjernobyl, het ferme voornemen om alle overige vijftien RBMK's in de Sovjet-Unie zo snel mogelijk te ontmantelen, inmiddels is het inzicht doorgebroken dat men daar eigenlijk de know-how voor onbeert en - vooral - dat men het elektrisch vermogen van de reactoren niet kan missen. Eind 1992 besloot de Russische regering de RBMK's helemaal niet te sluiten, en zelfs een in aanbouw zijnde RBMK bij Kursk te voltooien. In oktober '93 kwam het parlement van Oekraïne terug op een besluit uit 1991 om 'Tsjernobyl' te sluiten. Men wil de drie RBMK's daar nu tot in de volgende eeuw in gebruik houden.

Het Westen dat aanvankelijk bij monde van IAEA en Wano (World Association of Nuclear Operators) had aangedrongen op onmiddellijke sluiting van alle RBMK's en de oudste typen VVER-440 (model 230), bij Kola en Novovoronezh, heeft inmiddels vrijwel gecapituleerd. Onlangs heeft de IAEA meegedeeld van oordeel te zijn dat de RBMK's na voldoende aanpassingen inderdaad in gebruik kunnen blijven.

Verwonderlijk snel is het Westen ook aan het idee gewend dat Rusland en Oekraïne hun nucleair vermogen willen uitbreiden. Uranium is immers goedkoop geworden, olie en gas zijn voor Oekraïne onbetaalbaar en voor Rusland een onmisbare deviezenbron. Oekraïne gaat een hele serie in aanbouw zijnde VVER-1000 reactoren afbouwen en zou daarvoor zelfs westerse steun krijgen als het Tsjernobyl sloot.

Zoals de Financial Times al op 22 juni '93 met zoveel woorden zei: het westerse verlangen om de eigen reactorbouwers door de malaise heen te helpen heeft er uiteindelijk toe geleid dat met westers belastinggeld gevaarlijke Russische reactoren in bedrijf worden gehouden en nieuwe worden gebouwd. En wat het Dutch Nuclear Consortium betreft, dat zal genoegen moeten nemen met de kruimels die de grote Europese reactorbouwers laten liggen.