Zonder tribunaal zal het geweld in Rwanda niet stoppen

Ministers van de vorige Hutu-regering, die onlangs in eigen land nog snerpende oproepen deden tot gerichte massamoord op willekeurige Tutsi's, kunnen uit het comfort van hun hotelkamers in Goma paniek blijven zaaien onder de vluchtelingen. Volgens Ferry Versteeg kan alleen een ad hoc-tribunaal voor Rwanda de geweldsspiraal doorbreken.

Wie het overweldigende leed van Goma op zich probeert te laten inwerken en hoopt op snelle en afdoende hulp van buitenaf, kan niet heen om nòg een macabere ervaring. Temidden van de kreunende vluchtelingenmassa's bewegen zich in alle vrijheid de aanstichters en voornaamste uitvoerders van de systematisch uitgevoerde genocide die de afgelopen maanden in Rwanda 500.000 Tutsi's en gematigde Hutu's het leven kostte. Wat vorige maand leidde tot de machtsovername in Kigali door het door Tutsi's beheerste RPF en de rampzalige vluchtelingenvloed van Hutu's naar Zaïre die tot nu toe 50.000 slachtoffers eiste.

Ministers van de vorige (Hutu-)regering, die onlangs in eigen land nog snerpende oproepen deden tot gerichte massamoord op willekeurige Tutsi's, kunnen nu uit het comfort van hun hotelkamers in Goma paniek blijven zaaien onder de vluchtelingen over de onvermijdelijke wrake der Tutsi's bij terugkeer naar Rwanda. Ook al bieden het nieuwe RPF-regime en de VN de nodige veiligheidsgaranties. Tegelijk patrouilleren ex-Hutu-militairen en militieleden, de handen nog bijna druipend van het bloed, intimiderend door de reusachtige kampen om te garanderen dat het RPF in Rwanda 'een regering zonder volk' blijft.

Deze volstrekte straffeloosheid is niet alleen onverdraaglijk maar heeft nu al funeste gevolgen. Doordat de moordenaars zich vrij als vissen in de vluchtelingenzee kunnen bewegen, wordt de notie van collectieve schuld versterkt en hebben ook de onschuldige massa's meer reden tot angst voor terugkeer. En naarmate dat langer duurt en de kampen - mede met onze genereuze steun - tot beter georganiseerde en gevestigde instituten worden, krijgen volkerenmoordenaars de kans zich te reorganiseren en in Zaïre een rebellenleger te vormen. Waarmee de basis wordt gelegd voor een nieuwe ronde van slachtingen in Rwanda.

Er kan over allerhande preventieve maatregelen worden gediscussieerd - wat minister Pronk onlangs op deze pagina deed - zoals 'economische hulp', 'preventieve diplomatie' en 'continue dialoog met machthebbers'. Maar zolang de totale straffeloosheid voortduurt en de Hutu-extremisten vrij hun gang kunnen gaan, blijft dat dweilen met de kraan open.

Van Zaïre - zelf het tegendeel van een rechtsstaat - valt op dit punt weinig tot niets te verwachten. De Franse militairen zouden de voornaamste massamoordenaars in Zaïre kunnen vatten en overdragen aan de nieuwe RPF-regering in Kigali die om de uitlevering van zo'n 30.000 daders heeft gevraagd. Maar Kigali beschikt niet over een justitieel apparaat. En de overdracht van Hutu-criminelen zou op dit moment waarschijnlijk gelijkstaan aan de actie van de geallieerden die direct na de oorlog kozakken uitleverden uit de Sovjets die ze prompt afslachtten. Bovendien hebben de Fransen boter op het hoofd. Ze steunden de Hutu-regering vrijwel tot het begin van de genocide, lieten het Tutsi-personeel op hun ambassade in Kigali afslachten, maar transporteerden wel ijlings de voornaamste voorbereiders van het bloedbad - presidentsvrouw Habyarimana en de leiders van het moorddadige 'netwerk nul' - naar Parijs. Men moet daarom maar hopen dat de Fransen de kwestie zullen overlaten aan de VN-macht die hen later deze maand in het Zaïrese grensgebied moet aflossen.

VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali kondigde op 29 juli aan dat op verzoek van de Veiligheidsraad een driehoofdige onderzoekscommissie inzake de Rwanese genocide wordt ingesteld die vóór 30 november aanstaande moet rapporteren. Een soortgelijke commissie werd in 1992 gevormd om de moordpartijen in ex-Joegoslavië te onderzoeken. En dat leidde - ondanks het nog ontbreken van een formeel internationaal oorlogsmisdadentribunaal - tot de instelling door de V-raad van een 'ad hoc-tribunaal' dat op grond van artikel 7 van het VN-handvest (inzake bedreiging ven de vrede) weldra de ex-Joegoslavische massamoordenaars gaat berechten.

Zo'n ad hoc-tribunaal moet er met grootste urgentie ook voor Rwanda komen. Want zonder zoiets wordt de geweldsspiraal niet doorbroken. Natuurlijk heeft een VN-tribunaal ook z'n tekortkomingen. Het zal in een aantal gevallen onmogelijk zijn hoofddaders te pakken (door fysieke onmogelijkheid of als gevolg van 'vredescompromissen'). 'Kleinere vissen' kunnen dan het hardst worden geraakt. Toch valt gedeeltelijke rechtvaardigheid te prefereren boven de totale afwezigheid ervan. En aspirant-moordenaars die weten dat hun uitspattingen een staart kunnen krijgen, zullen zich geremder voelen.

Behalve de toestand in Rwanda schreeuwt ook die in het buurland Burundi om interventie van de internationale rechtsorde. Massamoordpartijen van variabele omvang vonden daar na de onafhankelijkheid van België (1962) plaats in '65, '69, '72, '88, '91 en '93. Een 'topjaar' was 1972 toen het door Tutsi's beheerste regeringsleger in één klap de hele Hutu-intelligentsia - 80.000 mensen - uitroeide. In oktober '93 leidde de moord op de eerste vrijgekozen Hutu-president Ndadaye tot spontane moordpartijen van Hutu-burgers op hun Tutsi-buren. Waarna het Tutsi-leger een uitroeiingscampagne onder Hutu's begon. Het eindresultaat - 100.000 doden - viel nauwelijks op in een wereld die toen voornamelijk aandacht had voor de troebelen in Somalië en de Amerikaanse rol daarbij.

Een commissie met afgevaardigden van zeven mensenrechten- en hulporganisaties, waaronder het Nederlandse Novib, zegt in een recent rapport over het Burundische bloedbad: “De noodzaak van de creatie van een rechtsstaat is duidelijk. Op dit moment bevordert straffeloosheid het gebrek aan burgerlijk en militair verantwoordelijkheidsgevoel. De commissie meent dat Burundi niet de middelen heeft om zelf wetten uit te voeren en roept op tot internationale legale bijstand.” Amnesty International publiceerde afgelopen mei een eigen rapport over de laatste massamoorden in Burundi en concludeerde: “Amnesty International meent dat de voornaamste oorzaak van deze periodieke massamoorden schuilt in het feit dat degenen die ervoor verantwoordelijk waren, nooit in het kader van enig formeel onderzoek zijn geïdentificeerd en berecht.”

Hoe anders gaat het toe in Ethiopië waar de regering processen voorbereidt tegen 1200 mensen die in de jaren zeventig hoofdrollen speelden in de 'rode terreur'-campagne van dictator Mengistu die in 1991 werd afgezet en nu in Zimbabwe leeft. Daarbij kwamen veertig- tot honderdduizend mensen om het leven. Bezwaren uit het buitenland als zou het gaan om een 'overwinnaarstribunaal' worden door de Ethiopische autoriteiten weerlegd door te verwijzen naar de tribunalen van Neurenberg en Tokio, en naar de onafhankelijke rechterlijke macht in Ethiopë.

Het massaproces dat mogelijk nog eind dit jaar begint, moet volgens slachtoffers van het Mengistu-regime 'het beest in ons allen uitdrijven'. Als de internationale gemeenschap dat 'beest' in Rwanda en Burundi ongemoeid laat, zal zij in een niet zo verre toekomst vol moreel zelfverwijt nieuwe hulpacties mogen organiseren voor slachtoffers van de zoveelste massamoord.