Siemens mag fabriek kernbrandstof voltooien

BONN, 10 AUG. De hoogste Duitse administratieve rechter heeft gisteren groen licht gegeven voor de verdere bouw van een Siemens-fabriek in Hanau (Hessen) voor de produktie van nucleaire brandstofstaven voor kerncentrales.

Het Berlijnse administratieve hof oordeelde vergunningen uit 1989 rechtsgeldig en maakte daarmee hun vernietiging, vorig jaar, door een lagere administratieve rechter in Wiesbaden ongedaan.

Daardoor kan een onmisbare keten in het produktieproces van de nucleaire industrie in Duitsland worden gemoderniseerd. Na dit hoogste rechterlijke oordeel moet over de principiële, politiek hevig omstreden, vraag of het gebruik van kernenergie moet worden beëindigd, zoals Groenen en SPD willen, nu de wetgever beslissen na de Bondsdagverkiezingen van 16 oktober.

Duitsland heeft geen fabriek voor de opwerking van gebruikte atoombrandstof en evenmin een definitieve oplossing voor de opslag van kernafval. Plannen om een opwerkingsfabriek in het Beierse Wackersdorf te bouwen zijn in de jaren tachtig gesneuveld op verzet in de bevolking en wegens financiële bezwaren. Sindsdien gaat gebruikte brandstof uit Duitse kerncentrales, maar ook uit ziekenhuizen en universitaire onderzoeksinstituten, voor opwerking naar Franse en Britse fabrieken in La Hague en Sellafield. In de fabriek in Hanau, de enige in haar soort in Duitsland, waarin tot nu toe sinds '89 voor circa 1 miljard mark was gemoderniseerd, moeten ten slotte uit uraniumoxyde en een toevoeging (3 procent) plutoniumoxyde volgens het zogenoemde MOX-procédé de tabletjes worden gemaakt waarvan de potlooddunne brandstofstaafjes voor Duitse centrales worden gemaakt.

De opwerking in La Hague en Sellafield geschiedt onder het voorbehoud dat het land van herkomst, de Bondsrepubliek dus, de opgewerkte partijen brandstof ook weer terugneemt. De transporten heen en terug naar die buitenlandse fabrieken, veelal uit een tijdelijke opslagplaats in Gorleben in Nedersaksen, worden doorgaans begeleid door felle protesten van Duitse milieu-actiegroepen, terwijl deelstaatregeringen waarin de SPD en/of Groenen vertegenwoordigd zijn, zoals in Nedersaksen, geregeld zoveel mogelijk juridische barrières proberen op te werpen.

De nu (weer) goedgekeurde bouwvergunningen voor de fabriek in Hanau waren in 1989 verleend door de regionale minister van milieu, die deel uitmaakte van een coalitie van CDU en FDP. In 1991 ging in Hessen een coalitie van SPD en Groenen regeren. Daarin werd Joschka Fischer, de bekendste Groene politicus, minister van milieu. Vorig jaar honoreerde de administratieve rechter in Wiesbaden klachten uit de bevolking, onder meer van een vader namens zijn zevenjarige dochter, tegen enkele vergunningen uit '89. De bouw van de fabriek was twee jaar geleden wegens storingen in de oude installaties al op last van Fischer stilgelegd.

Als vierkant tegenstander van gebruik van kernenergie wilde Fischer de Duitse 'plutoniumeconomie' uitschakelen door de onmisbare schakel 'Hanau' niet in bedrijf te laten komen. Intussen liepen pogingen van premier Gerhard Schröder (SPD) van Nedersaksen om met de regeringscoalitie in Bonn en het bedrijfsleven tot een 'nationale consensus' over kernenergie te komen vorig jaar spaak. De SPD, die sinds de late jaren tachtig in haar programma beëindiging van gebruik van kernenergie wenst, bleek niet bereid om Schröders aanbevelingen te volgen en dat standpunt te nuanceren.

De (nationale) milieuminister Klaus Töpfer (CDU) dwong Fischer eind vorig jaar “ambtshalve” in beroep te gaan van de uitspraak van de rechter in Wiesbaden. Met het arrest van het Berlijnse hof heeft Fischer gisteren dus een politieke nederlaag geleden door die beroepszaak te winnen. Töpfer, Siemens en de Duitse nucleaire industrie reageerden tevreden. Net als Fischer vinden zij dat 'de politiek' nu na de Bondsdagverkiezingen duidelijkheid moet geven over gebruik van kernenergie en het voortbestaan van de Duitse nucleaire industrie. Daarmee is de kwestie sinds gisteren (weer) een belangrijk campagnethema geworden.