Midden-Europa trekt ook kleine bedrijven

Na grote ondernemingen vindt ook het Nederlandse midden- en kleinbedrijf de weg naar Midden- en Oost-Europa. Want de loonkosten zijn in Tsjechië, Hongarije of Polen veel lager dan in Nederland. Verplaatsing van arbeid kan aantrekkelijk zijn. 'Maar de beginfase is duur'.

Cijfers zijn er niet', 'er is wat gaande, maar beperkt', 'veel bedrijven willen liever onder de pet houden wat zij in Oost-Europa doen', 'daar hebben wij geen zicht op'. Dat antwoorden vertegenwoordigers van werkgevers- en handelsorganisaties en het ministerie van Economische Zaken op de vraag of de veelbesproken trend van verplaatsing van produktie richting Midden- en Oost-Europa ook werkelijk enige substantie heeft. 'Je ziet dat bedrijven erover na gaan denken, maar het is een enkeling,' zegt drs. H. van Buren, directeur van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering (NCH). Economische Zaken kan geen noemen, behalve van bekende grote ondernemingen als Philips, Van Leer of Heineken. In feite lijkt echter met name het laatste jaar een 'tweede golf' van investeringen in met name Tsjechië, Hongarije en Polen op gang te zijn gekomen; een golf waarin niet de groten, maar het midden- en kleinbedrijf de belangrijkste rol spelen. Oost-Europa is in grote delen van de industrie niet alleen het gesprek van de dag, het begint ook de dagelijkse realiteit te worden.

Het 'importeren van arbeid', zo noemt directeur G. van Iersel van het schoenenfabriekje Berkelmans te Moergestel zijn samenwerking met een Poolse collega. Een ironische omkering van de feiten, want de facto krimpt zijn eigen personeelsbestand, terwijl hij het stikwerk aan zijn schoenen meer en meer laat verrichten in het bedrijf van een Nederlands sprekend Pools echtpaar dat hij een jaar of twee geleden via een relatie (een multinational) leerde kennen. Sinds eind vorig jaar rijdt nu elke drie weken een busje met kant-en-klaar gesneden stukken leer voor het 'boventuig' (de schoen zonder de zool) oostwaarts, om weer drie weken later met vierduizend paar afgewerkte schoenen terug te keren. “Het in elkaar stikken van schoenen is het meest arbeidsintensieve deel van het produktieproces, aldus Van Iersel, daar gaat ruim de helft van het werk inzitten”. Met uurlonen die in Polen een kwart van de onze bedragen, valt dus behoorlijk te besparen. Volgens de fabrikant verdient hij gemiddeld maar een gulden of twee aan een paar. Hoewel de produktiviteit van de Poolse collega een stuk lager ligt en ook rekening moet worden gehouden met transportkosten, resteert nog altijd een besparing van 'een paar kwartjes', schat Van Iersel. “Als we dit niet deden, zouden we het op de Nederlandse markt niet langer vol kunnen houden”, zegt hij. Berkelmans is maar een klein bedrijf, vijf jaar geleden telde het nog een vijftigtal werknemers, nu nog 35. Toen hij naar Polen ging was de keuze: een onverbiddelijk einde of produktieverplaatsing. “Ja, dat leidt inderdaad tot een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen”, bevestigt Van Iersel. “We ontslaan niemand, maar als er iemand weggaat, zullen we hem of haar niet vervangen, maar in plaats daarvan meer arbeid importeren”. Volgens hem is Oost-Europa dè trend in de schoenenindustrie, die haar ogen vroeger vooral op Noord-Afrika en Zuid-Europa gericht had. De bekendste naam is Helioform, dat ook in Polen actief is, maar Van Iersel vertelt dat daarnaast verschillende kleinere collega's net als hij nu ook richting oosten gaan.

Ik moest concurreren met de sociale werkplaatsen hier”, vertelt drs. C. van Strien van Van der Heijden Staalboek uit Hapert, een kleine fabrikant (20 werknemers) van boeken met stalen gordijn- en tapijtstof, met behulp waarvan men zijn vloer- of raambedekking kan uitzoeken. “Die werkplaatsen rekenen met uurlonen van 17 à 18 gulden. Nou, daar kan ik niet tegenaan”. En dus ging hij naar Tsjechië, een land waar hij vanuit een vorige baan wat contacten had opgedaan. Hij wilde het liefst op het platteland neerstrijken, omdat de dichterbevolkte gebieden tegen de Duitse grens nogal gedomineerd worden door bedrijven uit de Bondsrepubliek. “Dat geeft te snel een opwaartse zuiging op de lonen”, zo verklaart hij. “En bovendien is het westen van Tsjechië nogal vervuild, en dat kunnen we - aangezien we met stoffen werken - niet hebben”. Na enig zoeken vond Van Strien een leegstaande verdieping van een kantoorgebouw van een voormalige landbouwcoöperatie in een dorpje van 1500 inwoners in Zuidoost-Tsjechië, Dobronin geheten. Hij richtte een vennootschap op - wat in Tsjechië tegenwoordig een fluitje van een cent is - stationeerde er een van zijn eigen mensen en ging van start. Nu, anderhalf jaar later, heeft hij meer dan dertig Tsjechen in dienst en komt eenderde van Van der Heijdens stalenboeken uit Dobronin. Het grootste deel daarvan gaat naar Nederland, Duitsland en België, maar Van der Heijden heeft ook afnemers in Duitsland, Oostenrijk en Denemarken. Inmiddels is het 'break-even punt' bereikt en kan Van Strien zijn investering van zes tot zeven ton gaan terugverdienen. Hij schat dat de produktiekosten in Tsjechië op de helft van die in Nederland liggen. Maar: “De beginfase is duur. We hebben er nu drie Nederlanders zitten die moeten zorgen voor verbetering van de produktiviteit en de kwaliteit”. Desondanks, aanvankelijk verwachtte hij pas na twee jaar winst te kunnen maken; dat punt is dus veel eerder bereikt.

Net als bij schoenfabriek Berkelmans houdt de stap naar het Oosten ook voor Van der Heijden een verplaatsing van arbeid in. Van Strien: “We hadden in Nederland een 35-tal werknemers, nu nog twintig”. Vooral het handwerk vertrekt; werkvoorbereiding, verkoop en service blijven vanuit Hapert geschieden. “We krijgen naar verhouding meer mensen op kantoor”.

De schoenen- en textielindustrie zijn uiteraard bedrijfstakken die al veel langer te kampen hebben met competitie vanuit lage-lonen-landen en die daarop gereageerd hebben met verplaatsing van hun produktie. Maar over het algemeen was dit middel tot kostenreductie alleen bruikbaar voor grote bedrijven, die op voldoende schaal produceren en in staat zijn om vrij omvangrijke investeringen te bekostigen. Oost-Europa is echter ook voor het midden- en kleinbedrijf relatief gemakkelijk bereikbaar. Zoals uit de voorbeelden van Berkelmans en Van der Heijden blijkt, kunnen de aanvangsinvesteringen beperkt blijven, terwijl ook de transportkosten overzichtelijk zijn. Men kan beginnen met een verkoopkantoortje, het land leren kennen, vervolgens ergens een fabriekshalletje huren, met een paar man en wat oude, afgedankte machines zelf gaan produceren, enzovoort. Mislukt het, dan is er nog geen man overboord, zo dacht bijvoorbeeld drs. C. Verlinden van het Drentse carrosseriebedrijf Compaan, een familiebedrijfje met 33 werknemers dat vooral voor de regionale markt werkt. Compaan vervaardigt de opbouw van vrachauto's en trailers, maatwerk met een sterk ambachtelijke - en dus arbeidsintensieve - inslag. 'Platte nieuwsgierigheid' dreef de jonge directeur in 1989 naar Berlijn, waar hij met eigen ogen de val van de Muur en het IJzeren Gordijn wilde bezichtigen. Maar zakelijk als hij was, zocht hij ook business. En die kwam er, eerst van wat Westduitse bedrijven. Verlinden: “Daarna kwam ik via mijn vrouw, die op een congres in Wenen mensen uit Bratislava tegenkwam, in contact met Slowakije. Daar kon ik wat verkopen, maar ik liep meteen tegen de lokale concurrentie aan. Toen besloot ik: als ik daar wat wil verkopen, moet ik 'local for local' gaan produceren”. En natuurlijk had hij in zijn achterhoofd: als dat goed loopt, kan ik misschien ook vrachtwagens voor mijn Westeuropese klanten in Oost-Europa gaan opbouwen. Hij richtte een Slowaakse BV op, waarin hij een meerderheid nam en zijn Slowaakse kennis een minderheid, en huurde een hal in het provinciestadje Prievidza, op zo'n 100 kilometer van Bratislava, niet ver van een snelweg, en in de buurt van een fabriek van aluminiumprofielen (het belangrijkse materiaal voor de carrosseriebouw). Hij haalde vijf nieuwe werknemers naar Assen voor een training 'on the job' en ging van start. Compaan Slowakije is pas sinds april dit jaar actief, en heeft nog niet meer dan een stuk of zeven opdrachten verwerkt, zodat het succes verre van zeker is. Maar Verlinden is zeer optimistisch: “De lonen liggen op 3,5 gulden per uur, en ik schat dat de totale produktiekosten daar zo'n twintig procent lager uitvallen dan hier. Maar nu komt het meeste materiaal nog uit Nederland. Als ik voldoende in Slowakije zelf kan betrekken en de produktie eenmaal soepel loopt, verwacht ik nog veel interessantere besparingen. Dan zou eventueel ook het vervaardigen van standaard-carrosserieën voor de westerse markt in beeld kunnen komen”.

Iets dergelijks is ook de bedoeling van directeur H. Stegweg van Nedcon, producent van industriële magazijninrichtingen te Doetinchem. Nedcon, met een omzet van 90 miljoen en 200 werknemers, is in het kielzog van grote bedrijven als Ahold en Unilever naar Tsjechië getrokken en heeft daar voor hen magazijnen ingericht. Toen ook lokale klanten als Skoda zich meldden, besloot Stegweg een eigen produktievestiging te beginnen, die in oktober dit jaar van start zal gaan. “We maken een bescheiden start, met twintig mensen”, vertelt Stegweg. “Binnen een jaar moet het rendabel zijn, en daarna willen we in Tsjechië ook standaardmagazijninrichtingen gaan maken voor de westerse markt. Dat deel van de markt - de standaardprodukten - waren we kwijt geraakt, maar we denken dat weer terug te kunnen winnen dankzij de lagere produktiekosten in Tsjechië.' De Nedcon-directeur verwacht dat zijn Tsjechische vestiging zeer snel zal kunnen groeien, een verdubbeling per jaar.

Het verhaal van Nedcon is kenmerkend, zo blijkt uit de ervaringen van Nederlandse ambassades in de regio. Middelgrote en kleinere bedrijven beperkten zich aanvankelijk tot het volgen van de grotere bedrijven aan wie ze leveren en/of zoeken mogelijkheden voor export naar die grote Oosteuropese markt van 300 miljoen mensen, die op termijn flinke beloften inhoudt. Inmiddels beseffen ze dat ze daarnaast ook gebruik kunnen maken van de lage lonen om hun concurrentiepositie in het Westen te verbeteren. Naast de textiel- en schoenenindustrie is nu ook de metalektro zich driftig aan het oriënteren, vertelt drs. B. ten Tusscher, tweede handelssecretaris van de ambassade te Praag. “Grote bedrijven zijn vooral uit op het verwerven van een positie op de Oosteuropese markt”, vertelt zij. “De kleinere zijn gespitst op de lage loonkosten”. Om welke aantallen het gaat valt niet precies te zeggen.

Volgens gegevens van de ambassades zijn in Tsjechië en Slowakije 150 Nederlandse bedrijven actief, en iets dergelijks geldt ook voor Hongarije. Maar Harer Majesteits vertegenwoordigingen zijn geen registratie-instituten. Zij weten niet of het hierbij om papieren of reeds gesloten vestigingen, om simpele verkoopkantoortjes of om volwassen produktiefaciliteiten gaat. Bovendien is het tegenwoordig relatief eenvoudig zich in die landen te vestigen en onttrekt een deel van de nieuwere vestigingen zich aan de waarneming van de ambassades.

Vooral de laatste twee jaar is de belangstelling van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf voor Midden- en Oost-Europa sterk gegroeid, aldus mevrouw ten Tusscher. Daarmee dienen zich overigens ook kandidaten aan die onvoldoende beseffen dat het voordeel van de lage lonen voor een flink deel teniet wordt gedaan door de lagere produktiviteit, de onzekere levertijden en slechtere kwaliteit. “Men laat zich nogal eens verblinden door die lage lonen”, aldus de ambassadesecretaris. “Desondanks heb ik van grote mislukkingen nog niet gehoord”.