Oude en moderne kunst op 'De Utrechtse Parade 1495 - 1995' in Centraal Museum; De mythe van Utrechts bijzonder kunstklimaat

Tentoonstelling: De Utrechtse parade, 1495-1995. T/m 23 okt. Centraal Museum, Utrecht. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Catalogus ƒ 35,-

In het begin van de zeventiende eeuw was Utrecht toonaangevend voor de Noordnederlandse schilderkunst. Het was de tijd waarin mannen als Van Honthorst, Bloemaert, Wtewael en Ter Brugghen tot de populairste schilders van hun tijd behoorden. Van Honthorst bracht uit Italië het schilderen met kaarslichteffect mee en samen met Ter Brugghen introduceerde hij hier de stijl van Caravaggio.

De Italiaan Caravaggio ging, als reactie op het drukke en overelegante maniërisme, rond 1600 compacte en realistische taferelen in close-up schilderen en met weinig figuren. Van de Caravaggio-navolgers in Utrecht schilderde Ter Brugghen de meest indringende werken. Ook Bloemaerts schilderijen sloten aan bij de internationale trend en lagen zelfs buiten de landsgrenzen goed in de markt.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw werden er in Utrecht veel schilders opgeleid. Utrecht was een centrum voor de schilderijenproduktie, zoals tegelijkertijd ook Haarlem en Amsterdam dat waren. Het zou echter moeilijk zijn vast te stellen wat de specifiek Utrechtse identiteit van de schilderkunst in deze periode was. De bloei van het Utrechtse Caravaggisme duurde bijvoorbeeld slechts tien jaar, van 1620 tot 1630, en zelfs over de definitie van wat een Caravaggist nou precies is, bestaat veel onzekerheid.

Toch organiseerde Sjarel Ex, directeur van het Utrechtse Centraal Museum, een tentoonstelling met juist die vraag als thema, maar dan voor de hele geschiedenis na 1495: wat is de typisch Utrechtse identiteit van het stedelijk kunstbezit?

“Elke kunstenaar in Utrecht kende het werk van zijn voorgangers, elk talent voegde het zijne aan de geschiedenis toe”, omschrijft Ex zijn visie op het plaatselijke kunstklimaat in de catalogus. Hij vroeg de conservatoren van de vijf afdelingen van het museum - oude kunst, moderne kunst, toegepaste kunst, mode en geschiedenis - om werk van de meest 'Utrechtse' kunstenaars te selecteren.

Als illustratie van de Utrechtse identiteit mengde Ex in enkele zalen oude en moderne kunst door elkaar. Zo hangt bijvoorbeeld naast de tere, verstilde portretten met Jeruzalemvaarders van een van Utrechts beroemdste zonen, Jan van Scorel (1595- 1562), een zelfportret van de magisch realistische schilder Pyke Koch (1901-1991). Van Scorel schilderde de langwerpige panelen, met steeds twaalf koppen van mannen en een enkele vrouw die de bedevaart naar Jeruzalem hadden volbracht, tussen 1525 en 1527. Het zijn dunne schilderingen op paneel, veelal in bruinige tinten. De gelovigen kijken devoot en soms wat weemoedig. Pyke Kochs beroemde Zelfportret met zwarte hoofddoek uit 1937, vaak geassocieerd met de verheerlijking van het fascisme, past er niet bij in sfeer, noch in schildertrant. Het is strak en glad geschilderd en de man is bezeten. Zo kwetsbaar als Van Scorels figuren, zo onkwetsbaar oogt Kochs zelfportret. Als er al een inspiratiebron voor zou zijn aan te wijzen, zouden het eerder de vroeg-Renaissancistische Italiaanse schilders zijn, zoals Piero della Francesca, dan Van Scorel.

In dezelfde zaal hangt een moderne versie van de Jeruzalemvaarders van de hedendaagse kunstenaar Frans Franciscus (1959), van wie het museum de afgelopen jaren een aantal werken kocht. Hij beeldde twaalf vriendinnen, kunstenaressen en een kunstjournaliste af, met zichzelf als middelpunt. Net als hun voorgangers staan zij allen in dezelfde richting gedraaid. Maar in plaats van palmtakken over hun schouder te dragen, zoals de Jeruzalemvaarders van Van Scorel, staan er glazen wijn voor hen op tafel. De sjabloonachtige koppen en de schrale schildertrant kan een vergelijking met Van Scorel op geen enkele wijze doorstaan. Van een spontane inspiratie op Van Scorel is geen sprake: Het doek werd ter gelegenheid van de tentoonstelling geschilderd.

Overigens zijn de zalen met oude kunst - met werken van onder anderen de 17de-eeuwse dierenschilder Roelant Savery, de 17de-eeuwse portret- en historieschilders Paulus Moreelse en Joachim Wtewael - langs alle wanden beplakt met metershoge spiegels, waartegen de schilderijen zijn opgehangen. De bezoeker waant zich in een balletstudio zonder barre. Hij ziet niet alleen de schilderijen, maar ook zijn eigen benen, zijn omstanders en de achterkant van de lijsten. Misschien was het de bedoeling van de twee jonge inrichters om op die manier werken met elkaar te confronteren. Het leidt er toe dat de aandacht onwillekeurig van de kunstwerken wordt afgeleid.

Bij de andere afdelingen is er evenmin sprake van een typisch Utrechtse identiteit. In de zaal die gewijd is aan de plaatselijke mode hangen enkele tientallen kostuums, van 18de-eeuwse zijden japonnen tot sportieve tweedcombinaties voor het komende najaar. Duidelijke verbanden zijn er niet. Zoals conservator Hanneke Adriaans in de catalogus opmerkt, zijn er geen belangrijke plaatselijke trends of modeontwerpers aan te wijzen; de mode in Europa volgde immers eeuwenlang eerst de Spaanse en later de Franse ontwikkelingen.

De afdeling kunstnijverheid laat onder meer meubelen van Rietveld zien. Hij maakte echter geen school in Utrecht en heeft er zelfs nauwelijks opdrachten van de plaatselijke overheid gekregen.

Dat er zoiets zou hebben bestaan als een specifiek Utrechts kunstklimaat, dat zichzelf voortdurend tussen 1495 en nu heeft bevrucht, blijkt nergens op de tentoonstelling. Het is een a-historische mythe, in het leven geroepen door het museum zelf. In Utrecht wordt al eeuwenlang kunst geproduceerd, zoals in alle grote bevolkingscentra waar een vraag naar zulke luxegoederen bestond. Het Utrechtse Centraal Museum heeft kunst verzameld die werd vervaardigd door kunstenaars die toevallig in die stad en provincie woonden en werkten, en soms zitten daar prachtige dingen bij. Het valt te hopen dat de huidige verbouwing van het museum eindelijk ruimte zal bieden voor een permanente expositie van juist deze hoogtepunten uit het Utrechts culturele verleden.