Niet kijken

Wat zich in Rwanda afspeelt is geen natuurramp, al wordt het nu zo voorgesteld in de grote hulpactie die vanavond over alle zenders Nederland binnenraast. Het gaat om een volkerenmoord die weloverwogen is begonnen door een goed georganiseerde militie, gretig bijgestaan door amateurs met kapmes en knuppel, opgestookt door de staatsradio. Zelfs nu nog worden de Hutu's opgejaagd en opgehitst, voorgelogen door hun eigen leiders die onder Franse bescherming een heenkomen gevonden hebben dat ze als uitvalsbasis willen gebruiken voor een campagne tegen de nieuwe regering in de hoofdstad Kigali. Dat is een reeks oorlogsmisdaden van de allerzwaarste soort.

Komen die moordenaars, plunderaaars en verkrachters, hun bazen en bovenbazen, en de quasi-intellectuelen die het allemaal bedacht hebben, ook op de televisie? Komen er interviews met de Franse en Belgische experts en diplomaten die samenwerkten met de vorige regering in Rwanda? In het naburige Burundi dreigt een zelfde slachting. Komt iemand uitleggen waarom er op dit moment geen maatregelen worden genomen om een herhaling van de volkerenmoord daar te voorkomen?

Is er eigenlijk wel een tekort aan hulpgoederen, aan materieel, aan medicijnen, aan hulpverleners, aan militairen? Of zijn die om tactische, diplomatieke, of weet-ik-veel-wat-voor strategische redenen even nog niet ingezet? Moet het geld wel van vrijwillige gaven komen, is daar niet de belasting voor en de begroting van Defensie, Ontwikkelingshulp en Godverlaten Wandaden?

In deze krant van jongstleden dinsdag heeft Jan Pronk gepleit voor een zelfstandiger en actiever buitenlands beleid van Nederland. Voorkomen moet worden dat bijvoorbeeld in Afrika tegenstellingen tot een zo moorddadige uitbarsting komen als nu in Rwanda. Nederland moet daar veel aandacht en geduld en ook veel geld voor over hebben, zegt hij.

Maar waarom zou Nederland daartoe bereid zijn?

“Wie denkt dat het conflict tot Rwanda beperkt zal blijven, vergist zich”, vervolgt Pronk. Het zal opnieuw oplaaien en overslaan naar Burundi. “Destabilisatie dreigt in de buurlanden Zaïre en Tanzania... Oeganda zal daarbij betrokken raken.” Enzovoort, tot aan Egypte toe. Andere machthebbers zullen het voorbeeld van de massamoord volgen (alsof ze nog een voorbeeld nodig hebben).

Dit is de dominee-versie van de domino-theorie: als één regime valt, storten ook de buurlanden in. Dus moet er ingegrepen worden, maar in wezen niet om redenen van machtspolitiek, maar van humaniteit.

Pronk is voorstander van meer bemoeienis met noodlijdende en verscheurde landen in Afrika en elders. Als hij mij overtuigen kan dat buitenstaanders daar iets goeds kunnen verrichten, ben ik dat ook. Maar zijn argument dat die interventie nodig is om algehele chaos te voorkomen deugt niet. Sommige landen, zoals Zaïre, verkeren al jaren in volkomen onttakeling en andere zullen ook de Rwandese schokgolf wel doorstaan. Westerse ondernemers en diplomaten hebben met die chaos leren omgaan. Het maakt ze in wezen, economisch, politiek en militair niets uit.

De redenering van Pronk hoort tot het ijzeren repertoire van de sociale retoriek: ginds lijden mensen aan ziekte, armoede en onwetendheid; daar krijgen jullie rijke rotzakken nog last van en dus kun je maar beter meebetalen aan hun genezing, ondersteuning en onderwijs. In nationale samenlevingen gaat dat argument ook dikwijls op: de cholera van de armen spaart ook de rijken niet die dus graag meebetalen aan waterleiding, riolering en gezondheidsdienst. Soms gaat dat ook op in de transnationale samenleving: de armoe ginds leidt tot emigratie en milieubederf waar de witte welvaartswereld van het Westen last van heeft en dat kan een zakelijk motief zijn om de omstandigheden van de armen daar te helpen verbeteren ('t Is of ik mezelf hoor praten).

Maar voor Rwanda gaat dat niet op. Nederland heeft daar geen materieel of machtspolitiek belang. Er kan maar een motief gelden: ethische politiek.

Mensen die elkaar uitmoorden, opjagen en uithongeren. Dat mag niet. Van Jan Pronk niet en van mij ook niet en van niemand niet. Als nu een herhaling van die massamoorden dreigt in Burundi en als minister Pronk weet wat gedaan moet worden om dat gevaar te verminderen, dan moet dat gebeuren. Niet vanwege de stabiliteit in de regio, en niet vanwege Nederlands economisch of strategisch belang, maar om menselijke redenen. Zeg dat dan.

Wie een humanitair optreden voorstaat in Afrika kan alleen bedoelen dat Afrikanen mensen zijn en kan er dan ook niet omheen dat er daar onmensen zijn, tirannen en massamoordenaars die bestreden en bestraft moeten worden. Wie de mensen daar serieus neemt ziet niet alleen slachtoffers maar ziet sommigen ook als vijanden, en dus anderen als bondgenoten. Ook dat is ethische politiek.

De poging om Nederland te betrekken bij de catastrofe in Rwanda op geo-politieke en groot-strategische gronden heeft iets gemeen met de poging van de media om met liefdadigheid aan rampenbestrijding te doen: het is allebei demoralisering. Het is een poging om het morele probleem te ontlopen van de verantwoordelijkheid voor het kwaad dat verre vreemden overkomt en waar wij weet van hebben.

Er is een ethische vraag: moeten mensen of regeringen zich daarmee bemoeien? Daar gaat nog een praktische vraag aan vooraf: kunnen zij daar goed doen?

Wat Pronk wil is een ethische politiek. Laten ze het daar eens drie uur lang op alle zenders over hebben. Nederlandse kijkers hebben nog iets belangrijkers dan een bankrekening, ze hebben stemrecht en een mening. Daarop moeten ze worden aangesproken.

Dat is wel een hele grote opgave voor dit kleine, verwende volk.