Brentjens rijdt zijn rondjes door de alpenweiden

Op de weg had hij net te weinig souplesse, als veldrijder kwam hij te laat op gang, maar op de mountainbike is Bart Brentjens een internationale topper. Morgen kan de 25-jarige bloemkweker de wereldbeker winnen in het Zwitserse Lenzerheide. Hij droomt al van een olympisch optreden in 1996.

HAELEN, 6 AUG. Op elk tafeltje in het ouderlijk huis staat een pot chrysanten. De bloemkwekerij van Bart Brentjens tiert welig op de vruchtbare klei van Noord-Limburg. Niet dat hij nog veel tijd heeft voor zijn bedrijf. De hooggeschoolde tuinbouwer reist de hele wereld rond met zijn mountainbike. Afgelopen weekeinde won Brentjens een wereldbekerwedstrijd in het Australische Cairns. “We reden in een tropisch gebied. Met trainen stapte ik af en toe van de fiets om rond te kijken, zo mooi was het daar.”

Hij voelt zich een natuurmens. “Ik houd van de mooie dingen op aarde.” Morgen kan Brentjens zijn lol op, wanneer hij rondjes rijdt door de Zwitserse alpenweides. Als hij niet te veel van de natuur geniet en zijn grootste rivalen zwak presteren, maakt hij een goede kans om als eerste Nederlander de wereldbeker te winnen. Lukt het nu niet, dan is er begin september in Canada nog een mogelijkheid om de beker in de wacht te slepen.

“Een paar jaar geleden keek ik nog op tegen de echte toppers, nu ben ik minstens even sterk. Ik moet me niet te veel richten op mijn tegenstanders, maar m'n race zelf opbouwen.” Hij vergelijkt zichzelf met een diesel, die langzaam op toeren komt. “Na een uur begint het echt te draaien. Op het laatst houd je kracht genoeg over.” De slow starter Brentjens is gebaat bij een lange race. Met veldrijden kwam hij pas op gang als de finish in zicht was.

Hij leerde fietsen van zijn ouders, de kneepjes van het wielrennen werden hem bijgebracht door Frans Maassen: zijn volle neef en grote voorbeeld. De wegcoureur en de mountainbiker trainen bijna elke dag samen, meestal op de racefiets. Een provinciale weg verbindt beide woningen. “Als we om negen uur afspreken, rijden we elkaar om tien voor negen tegemoet. Ik heb veel van Frans opgestoken. Hij leert me voor welke mensen ik moet uitkijken.” Maassen: “Bart is mijn beschermengeltje, een verlegen karakterventje. Op de training moet ik hem altijd intomen.” In de bossen was Brentjens zijn neef veelal de baas. “Frans is niet zo'n waaghals. Hij schijt in z'n broek als de bomen te dichtbij staan.”

Het succes dat Frans Maassen als wegrenner behaalde, daar kon Bart Brentjens nooit aan tippen. Een getalenteerde coureur die op het asfalt niet echt uit de verf kwam. “Ik eindigde nooit bij de eerste tien, dat is best frustrerend.” Hij legt het verschil uit tussen goed en heel goed. “Ik kan zonder problemen veertig in het uur rijden, maar 42 was vaak net te veel.” Of zoals zijn trainer Chean Janssen de tekortkoming omschrijft: “Bart kan het hoge vermogen niet omzetten in snelheid. Daar had hij te weinig souplesse voor.”

Drie jaar geleden besloot Brentjens zijn grenzen te verleggen. Hij kocht een mountainbike, schreef zich in voor een wedstrijd, die prompt gewonnen werd. “Ik dacht, het is een rage die wel weer overwaait. Maar het wordt eigenlijk steeds populairder. In Spanje stonden er dit jaar vijftigduizend mensen langs de kant. In Amerika en Australië is het ook heel populair.” Hij toont vol enthousiasme het klassement van de wereldbekercyclus: zes nationaliteiten bij de eerste tien.

Het internationale karakter van het mountainbiken was voor het IOC reden genoeg om de sport een olympische status te verschaffen. Over twee jaar strijden in Atlanta twee deelnemers per land om de gouden medaille. Mountainbike past bij de moderne olympische gedachte, waarbij traditie het steeds vaker aflegt tegen spanning en sensatie.

Brentjens is officieel nog amateur, maar zegt te leven als een prof. “Volgend jaar moet ik er ook van kunnen rondkomen. Als je veel wint, krijg je vanzelf een beter contract.” Hij lacht als zijn moeder vertelt over de grote schade, die hagelstenen vorige maand veroorzaakten aan zijn bedrijf. Bijna de hele oogst aan diggels. “Als tomaten, zo groot waren ze”, zegt mevrouw Brentjens die zich verzekerd weet van een uitgesteld pensioen. Bart rijdt rondjes, zij verzorgt de bloemen.

Hij toont televisiebeelden van de wereldbekerwedstrijd in de Verenigde Staten. Blauwe luchten, groen bossen en eeuwige sneeuw. De terreinfietsen scheuren over ontdooide skipistes. Alleen het commentaar van de Nederlandse commentator stelt Brentjens teleur. “Die begrijpt er niets van”, zegt hij met zijn aanstekelijke glimlach. Dan volgt zijn uiteenzetting over het verschil tussen wielrennen en mountainbiken. “Je moet veel meer lef tonen dan de wegrenners. Inzicht is minder belangrijk, je kunt je niet verschuilen in het peloton. Mountainbiken is veel meer een individuele sport. Je rijdt met een paar anderen voor dezelfde sponsor, maar op het parcours moet je het helemaal zelf doen. De fiets is veel meer een stuk van jezelf. Als er iets mee is, moet je hem zelf repareren. Een ploegleiderswagen in de bossen, dat gaat een beetje moeilijk.”

Brentjens zit op zijn praatstoel. Hij oogt niet als een wielrenner. Op het eerste gezicht lijkt hij meer geschikt voor een teamsport. Net als Maassen heeft hij als junior fanatiek gevoetbald. Heeft hij geen last van eenzaamheid, als hij zit opgesloten in een verre en vreemde hotelkamer? “Soms wel ja. Maar als ik mijn vriendin aan de telefoon heb gehad, is dat meteen over.”