Vrijdag 5; De projectontwikkelaar beslist

Het Maupoleum in Amsterdam is niet meer. De sloop van dit gebouw aan de Jodenbreestraat is in volle gang. Weinig mensen zijn er rouwig om. Alleen collega-architecten als Carel Weeber en bouwkunstgeleerden konden waardering opbrengen voor dit strenge bouwwerk. Voorbijgangers en leken vonden het 'het lelijkste gebouw van Nederland', zo bleek uit een enquête enige maanden geleden.

Maar de lijdensweg van de Jodenbreestraat is nog niet voorbij. Vorige week bleek dat de Amsterdamse welstandscommissie niet tevreden is over het ontwerp van architect Teun (niet te verwarren met Rem) Koolhaas voor het nieuwe kantoorgebouw dat in de plaats van het Maupoleum moet komen. Het kantoor is onderdeel van een groot project dat door de projectontwikkelaar Philips Pensioenfonds wordt gefinancierd. Hans Bosch, voorzitter van de commissie, vond dat het ontwerp niet beter was dan het oude Maupoleum. Saai noemde de commissie het plan van Koolhaas: het nieuwe gebouw zou weer een onneembare vesting worden. Eerder was de welstandscommissie wel akkoord gegaan met Koolhaas' ontwerp voor de Hogeschool voor de Kunsten die eveneens deel uitmaakt van het project.

Inmiddels heeft Teun Koolhaas hard gewerkt aan een aanpassing van zijn ontwerp. Hoogstwaarschijnlijk zal de welstandscommissie hiermee wel akkoord gaan, misschien mopperend. Er is immers weinig keus. Een afkeurend advies kan door de wethouder van ruimtelijke ordening niet worden genegeerd, daarvoor ligt de nieuwbouw aan de Jodenbreestraat door de Maupoleum-geschiedenis te gevoelig. Maar als de gemeente het advies opvolgt en de bouwaanvraag van Philips Pensioenfonds afwijst, ligt het terrein vanaf januari 1995 braak en heeft de gemeente binnenkort niet de beschikking over het kantoor dat ze ironisch genoeg wil huren voor haar dienst ruimtelijke ordening.

De Maupoleum-nieuwbouw staat niet op zichzelf, maar is een symptoom van de toenemende macht van de projectontwikkelaars. Er doet zich een vreemde paradox voor in de Nederlandse architectuur. Nog nooit heeft de overheid zoveel aandacht gehad voor bouwkunst. Het ministerie van WVC heeft een heuse architectuurnota uitgebracht, vorig jaar ging in Rotterdam met veel overheidssteun het Nederlands Architectuurinstituut open en veel gemeenten hebben plaatselijke architectuurcentra opgericht. Maar steeds minder treedt de overheid op als directe opdrachtgever: ministeries laten geen karaktervol gebouw neerzetten, maar huren een anoniem kantoor en gemeenten laten de zorg voor gaten in de stad en nieuwbouwterreinen steeds vaker over aan projectontwikkelaars. Ondanks alle nota's en goede bedoelingen geeft de overheid de werkelijke macht over de architectuur uit handen.

“Ik steek veel tijd in het vergaderen met degenen die de stad van morgen bouwen,” zei architect Jo Coenen vorig jaar in een interview. “Dat zijn niet de politici, ook al denken ze van wel, en ook niet de stedebouwkundige diensten, maar de projectontwikkelaars en de beleggers.” De post-Maupoleaanse geschiedenis laat weer eens zien dat hij gelijk heeft.