Jean Rouaud

Jean Rouaud, Illustere voorgangers (Des hommes illustres). Vert. Marianne Kaas. Uitg. G.A. van Oorschot, ƒ 34,90 (geb. ƒ 49,90).

Net als in zijn eerste roman De velden van eer is het onderwerp van Jean Rouauds tweede boek weer de geschiedenis van zijn eigen familie. Toen hem de Prix Goncourt voor zijn veelgeprezen debuut werd toegekend - een opmerkelijk gebaar, aangezien Rouaud destijds een volledig onbekende literaire outsider was die een krantenkiosk in Parijs dreef - kondigde hij al aan dat hij van plan was een drieluik te schrijven, de familiegeschiedenis van drie generaties - een kroniek van de gewone man. Zijn eerste boek speelde voornamelijk tijdens de Eerste Wereldoorlog en hoofdpersoon daarin was zijn grootvader. Dit tweede deel is gewijd aan zijn vader die zich letterlijk heeft doodgewerkt voor zijn gezin en op 41-jarige leeftijd, toen Rouaud elf jaar oud was, overleed. Hij was vertegenwoordiger in porselein en aardewerk en reisde door de week in zijn auto - waarvan merk en ouderdom het verstrijken van de tijd aangeven - langs Bretonse dorpen, sjouwend met zware monsterkoffers ondanks zijn voortschrijdende fysieke aftakeling.

Tijdens zijn tochten ziet hij hoe het landschap in ijltempo wordt geruïneerd - we schrijven de jaren zestig - door ruilverkaveling en de bulldozers van projectontwikkelaars, teneinde de streek op te stuwen in de vaart der volkeren. Thuis drijft hij samen met zijn vrouw een soort winkel van sinkel en bedenkt ingenieuze oplossingen voor allerhande technische problemen. Hij koestert zijn verzameling natuursteen achter in de tuin, waarvan hij ooit iets zal bouwen.

Het tweede deel van het van het boek speelt twintig jaar eerder, tijdens de Tweede Wereldoorlog. De vader is dan een jonge man die moet onderduiken nadat hij zich met veel bravoure aan de Duitse arbeidsdienst heeft onttrokken. Hij gaat in het verzet, gedraagt zich heldhaftig en raakt in Nantes in een groot bombardement verzeild. Het boek eindigt met een beschrijving van dit bombardement en de ontmoeting van Rouauds ouders in een schuilkelder - in een eruptie van één zin die ruim zes bladzijden beslaat.

Rouauds kracht schuilt in zijn vermogen vlijmscherp minieme gebeurtenissen te beschrijven. De herinneringen aan zijn vader zijn een aaneenschakeling van kleine voorvallen - de roetende petroleumlamp die de hele winkel met een zwarte laag bedekt, het systeem van gekleurde draadjes en spelden waarmee hij zijn wekelijkse handelsreizigersroute uitzet - die tenslotte een ontroerend, maar geen sentimenteel beeld opleveren van een 'alledaagse held'.

Stijl en thematiek van Rouaud worden nogal eens vergeleken met die van Proust. Die vergelijking is enerzijds gebaseerd op beider gebruik van extreem lange zinnen, anderzijds op het verlangen de 'verloren tijd' weer tot leven te wekken. Toch zou het niet terecht zijn Rouaud als een Proust-epigoon te beschouwen. In beide opzichten is sprake van een oppervlakkige gelijkenis - al was het alleen maar omdat Rouauds 'verloren tijd' van veel persoonlijker aard is dan die van Proust. Rouaud is een volstrekt autenthieke schrijver die de belofte van zijn eerste roman in dit tweede boek volledig waar maakt.