Macht van tv is kleiner dan regeringen menen

Satelliet-tv brengt de gebeurtenissen in Rwanda en Bosnië direct in de huiskamer. Aan televisiestations als CNN wordt daarom veel invloed toegeschreven. Maar de kijkcijfers hollen achteruit. Jonathan Eyal ziet het nog niet komen tot een 'mondiaal dorp', waarin de hele wereld dagelijks hetzelfde nieuws bekijkt.

Bosnië, Somalië, Haïti en nu Rwanda: in ieder internationaal conflict wordt de machtige invloed van de internationale televisie op de publieke opinie tegenwoordig als een gegeven beschouwd. De schrijnende beelden van dood en verderf op een markt in Sarajevo brachten de NAVO zover de Serviërs een ultimatum te stellen. En zonder het misselijkmakende schouwspel van de bij duizenden stervende Rwandezen in vluchtelingenkampen is het twijfelachtig of de thans geboden humanitaire hulp ooit zou zijn georganiseerd. Technologische ontwikkelingen stellen televisiestations in staat om à la minute nieuws te brengen van overal ter wereld. Door de komst van de satelliet-tv kunnen die beelden naar iedere huiskamer worden doorgestraald. Maar in tegenstelling tot de gangbare veronderstellingen is de macht van de satelliet-tv niet zo groot als de westerse regeringen menen. Bovendien staat de satelliet-televisie thans zelf aan grote spanningen bloot.

De aandacht van de media voor internationale crises is altijd wisselvallig geweest: het geweld in de vroegere Sovjet-republiek Tadzjikistan heeft waarschijnlijk aan meer mensen het leven gekost dan de oorlog in Joegoslavië. Maar omdat er geen tv-camera's naar Tadzjikistan gingen, is deze Aziatische tragedie vrijwel onbesproken gebleven. Ook hebben de media maar een heel korte aandachtsspanne: de felle oorlog in Nagorny Karabach tussen Armeniërs en Azeri is nog steeds gaande, maar in het Westen is die vrijwel vergeten.

De etnische conflicten die de wereld omspannen zijn complex van aard, en ontstaan vaak uit historische geschillen. Televisie is niet het beste medium om dat soort kwesties te behandelen: beelden richten zich op wat er nú gebeurt, niet op de diepere oorzaak van het conflict, die wel eeuwen oud kan zijn. Het slechtst denkbare resultaat is het gevolg: de publieke opinie wordt zich bewust van een tragedie, maar pas als het te laat is om bloedvergieten te voorkomen. Er is nauwelijks bericht over de langzame desintegratie van Joegoslavië in de jaren tachtig, of over de smeulende troebelen in Rwanda door de jaren heen, maar zonder zulke kennis is een oplossing ondenkbaar. Het is dan ook geen wonder dat westerse regeringen zich hevig ergeren aan de satelliettelevisie en haar vermogen om kwesties aan de orde te stellen zonder ooit een mogelijke oplossing aan te dragen.

Echter, het lijkt erop dat de invloed van de grote, internationale televisiestations tanende is. Haast per definitie is de markt nu nog geheel in handen van Engelstalige zenders, met CNN voorop. Toch, ondanks een geweldige reputatie, hollen de kijkcijfers van CNN achteruit. Weliswaar is CNN in de meeste Amerikaanse huishoudens te ontvangen, maar naar schatting slechts 1 procent van de bevolking kijkt er regelmatig naar. Mondiaal schijnt het CNN-publiek alleen dit jaar al 25 procent te zijn geslonken. Het ziet er dus naar uit dat het door westerse regeringen meest gevreesde tv-station ook in de grootste moeilijkheden verkeert.

Daarvoor zijn tal van redenen. Ondanks alle moeite die CNN doet om zichzelf te doen voorkomen als een echt internationale zender, wordt het door de meeste Europeanen nog altijd beschouwd als een in wezen Amerikaanse club. CNN heeft vestigingen over de hele wereld, maar het redactiebeleid wordt bepaald in Atlanta, Georgia, de Verenigde Staten. Bovendien vindt men bij CNN nogal eens dat een debat in het Amerikaanse Congres over de Amerikaanse openbare gezondheidszorg, om maar iets te noemen, belangrijker is dan een politieke crisis in, laat ons zeggen, de Europese Unie. Een echt CNN-'onderwerp' is een reportage waarin niet alleen talrijke doden voorkomen, maar waarin bovendien een Amerikaans belang te ontwaren is (bij voorkeur in de gedaante van Amerikaanse soldaten of staatsburgers). Het vermogen van CNN om urenlang live uit te zenden vanaf de plaats des onheils was tijdens de Golfoorlog en de gevechten vorig jaar oktober bij het Russische parlementsgebouw in Moskou van grote waarde voor het station; op dit ogenblik lijkt het weinig voordeel te bieden.

Daarbij komt dat CNN steeds meer concurrentie ondervindt van andere Engelstalige satelliet-stations. De World Service Television van de BBC (WSTV) is nog niet wereldwijd te ontvangen, maar haar scala van doorlopende nieuwsbulletins is veel meer internationaal van opzet, en de achtergrondanalyses worden hoger aangeslagen dan die van CNN. Het station wordt geheel gefinancierd door BBC Enterprises, de commerciële tak van het omroepbedrijf. Sinds de start in 1991 draait het met verlies, ondanks een verdubbeling van de omzet. Maar mondiaal is WSTV een groot succes. Het station is CNN in India vrijwel dadelijk voorbijgestreefd en heeft ook elders veel opgang gemaakt. WSTV komt dit jaar ook overal in Europa, en dat baart CNN zorgen.

De grootste zorg voor het Amerikaanse tv-bedrijf is echter de vraag of er eigenlijk wel een internationale markt voor Engelstalig nieuws bestaat. Alles wijst erop dat de hegemonie van CNN ten einde loopt, en snel ook. Afgezien van kleine groepen beleidsmakers geven de meeste mensen de voorkeur aan televisienieuws in hun eigen taal, over gebeurtenissen in eigen land. Natuurlijk trekken grote gebeurtenissen wereldwijd de aandacht, maar die vinden in het algemeen sporadisch plaats, en zijn van korte duur. Adverteerders zijn niet enthousiast over het vooruitzicht van onvoorspelbare kijkcijfers - zoals CNN en BBC beide hebben ondervonden. En ten slotte: dezelfde technologische ontwikkelingen waardoor satelliet-tv gemeengoed is geworden, zullen binnenkort tevens keus bieden uit honderden kanalen, wat aanleiding kan worden tot nieuwe splitsingen in de televisie-markt.

Rupert Murdoch, de mediabaron uit Australië, heeft de neergang van de mondiale Engelstalige televisie al geaccepteerd. Weliswaar blijft zijn nieuwszender Sky TV nog bestaan, maar de STAR tv-satelliet die hij exploiteert in Azië heeft het contract met de BBC opgezegd ten gunste van uitzendingen in de diverse regio-talen. En ook de BBC, hoewel vastbesloten haar internationale Engelstalige tv-uitzendingen uit te breiden, gaat daarnaast uitzendingen in andere talen verzorgen.

Ze heeft onlangs een Arabisch station voor het Midden-Oosten gelanceerd, en gezien haar ongeëvenaarde internationale omroepervaring op radiogebied zal ze het daar zeker niet bij laten. De 'oude' BBC World Service is allesbehalve overbodig geworden, en trekt nog wekelijks 130 miljoen luisteraars, behalve dan in China, welk land de BBC het ultieme compliment maakt door te proberen de uitzendingen te storen. De 39 talen waarin de World Service tot de wereld spreekt, floreren: de afschaffing van het communisme heeft in sommige Oosteuropese landen tot verdubbeling van de luistercijfers geleid. Een groot deel van het BBC-personeel in de buitendienst wordt thans bijgeschoold om met zowel televisie als radio te kunnen werken. Bovendien zullen digitale compressie-technieken binnen afzienbare tijd snelle nasynchronisatie in elke gewenste taal mogelijk maken, zodat uitzendingen in andere talen nu nog slechts een kwestie van beschikbare middelen zijn. Ook elders in heel Europa vinden soortgelijke ontwikkelingen plaats, met name in Duitsland en Frankrijk.

Fragmentatie van de satelliet-televisie is dus onvermijdelijk, en daarmee zal ook de druk op regeringen om 'iets te doen' aan internationale conflicten wellicht afnemen. Hoe dat ook zij, het is nu al zonneklaar dat degenen die het ontstaan van een 'mondiaal dorp' hebben voorspeld, een tijdperk waarin iedereen overal ter wereld naar hetzelfde nieuws zou kijken, evenzeer ongelijk hebben gehad als zij die het einde van de drukpers voorspelden toen de radio zich aandiende, of die van de radio toen de televisie haar intrede deed. De technologie voor internationale nieuwsgaring is voorhanden; de gezichtskring en de voorkeur van de kijkers zijn echter nog altijd tamelijk beperkt - eigenlijk net zoals de visie van de meeste van onze regeringen op internationale conflicten: mondiale zorgen, maar nationale belangen.