De offshore-industrie verkeert in een diepe crisis

ZOETERMEER, 3 AUG. Veel Nederlandse toeleveringsbedrijven voor de olie- en gasindustrie verkeren in een crisis die nog maar nauwelijks wordt onderkend. Vorig jaar daalde de omzet van deze sector met een vijfde tot 4 miljard gulden en verdwenen zeker 5.000 banen. Dit jaar zal de omzet naar verwachting niet hoger uitkomen dan 3 miljard gulden en daalt de werkgelegenheid met zeker 7.000 personen.

Mr. E. Lastdrager-van der Woude, directeur van de branchevereniging Iro (Industriële raad voor olie- en gasindustrie) trekt een zorgelijk gezicht als ze de cijfers opnoemt. Ze komt net van het ministerie van economische zaken, waar ze bij de ambtelijke top gehoor vond om “constructief overleg te voeren over de gerezen problematiek”. “Geen misverstand”, zegt ze, “wij vragen niet om subsidie, maar om een geregeld overleg, om een aanpassing van het energiebeleid en om steun voor technologische produktvernieuwing die essentieel is voor onze sector.”

Van de 300 Iro-leden behoort 80 procent tot het midden- en kleinbedrijf, een groep die voor een groot deel sterk afhankelijk is van de binnenlandse markt. Maar die thuismarkt is in snel tempo aan het instorten omdat de winning van olie en aardgas in nieuwe velden afneemt. Iro had haar zinnen gezet op de gaswinning in de Waddenzee en uit kleine velden op de Noordzee, die samen tot het jaar 2000 zo'n 3 miljard gulden aan investeringen en 20.000 manjaren werk extra had kunnen opleveren. Die ramingen zijn in 1992 gemaakt door het Nederlands Economisch Instituut, maar volgens Lastdrager is nu duidelijk dat het aantal extra manjaren “sterk wordt gereduceerd, waarschijnlijk tot slechts 1.000 voor de Waddenzee. En de vraag is wat er terechtkomt van de 13.000 manjaren die de kleine offshore-gasvelden kunnen opleveren.”

De beslissingen over gaswinning uit de Waddenzee noemt ze “een teleurstellend verlopen race”, omdat er van het kabinet alleen door schuine boringen langs de rand van het gebied geproduceerd mag worden. “Wij hadden gehoopt dat de drie concessiehouders, de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), Elf Petroland en Mobil in de Waddenzee zouden boren. Dat had voor de Iro-leden veel werk opgeleverd, maar nu zal voorlopig alleen de NAM beginnen met schuin boren en dan nog over een lange periode uitgesmeerd. Bovendien gaan alle opdrachten van de NAM naar het Duitse bedrijf Deutag.”

De toeleveringsbedrijven staan ook “zwaar onder druk omdat de gaswinning in kleine velden op zee onzeker is”, zegt Lastdrager. “De oliemaatschappijen vinden het pakket maatregelen waarmee Economische Zaken die 'marginale' velden tot ontwikkeling wil brengen, gewoon niet aantrekkelijk genoeg.” Een hele rij buitenlandse maatschappijen heeft de afgelopen jaren zijn belangen in Nederland afgestoten. Dit jaar kondigde het Amerikaanse bedrijf Placid aan zijn velden op de Noordzee van de hand te zullen doen en verklaarde Mobil dat het zijn offshore exploratie-activiteiten wil verkopen. Het aantal nieuwe boringen in Nederland is drastisch gedaald en dat heeft direct gevolgen voor de toeleveringsindustrie, die voor de oliemaatschappijen boortorens bouwt en installeert, pijpleidingen legt en alle mogelijke apparatuur levert. In 1993 en de eerste helft van dit jaar zijn 12 Iro-bedrijven failliet gegaan.

Lastdrager ziet na haar overleg met de directoraten Energie en Industrie van EZ een paar lichtpunten. “Ons is verweten dat we te scherp reageerden op deze noodsituatie, dat we ketelmuziek maakten. Maar nu blijkt dat we met die ketelmuziek toch voet aan de grond krijgen. EZ heeft te kennen gegeven dat het zich verantwoordelijk voelt voor deze industrie, dat in overleg met ons gepoogd wordt een beleid voor deze sector op te zetten, want dat bestaat nog helemaal niet. Ik hoop dat de overheid nu ook het economisch belang gaat onderkennen van een investeringsklimaat dat voldoende aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders en dat tevens gunstig is voor de eigen industrie.”

Als hoofdpunt voor zo'n beleid ziet Lastdrager het behoud van een thuismarkt voor de toeleveringsbedrijven, die als springplank en 'etalage' voor de exportmarkt kan dienen. “Wij zijn in Nederland gespecialiseerd in olie- en gasproduktie in een druk scheepvaartgebied en onder scherpe milieuvoorschriften, met moderne technologie en veel onder-waterinstallaties voor de produktie van energie. We kunnen laten zien hoe zorvuldig we met het Nederlandse Continentaal Plat omgaan. Daarvoor bestaat in het Verre Oosten waar ook drukke scheepvaartroutes zijn, veel belangstelling. Wij pleiten voor het kiezen van speerpunten en de overheid is bereid daarover met ons te praten en ons te steunen.”

Volgens Lastdrager is samenwerking voor de kleine ondernemers in de toeleveringsbranche essentieel om een betere positie op de exportmarkt te verwerven. Daarbij moeten ook Nederlandse semi-overheidsbedrijven als de Gasunie, de Samenwerkende elektriciteitsproducenten (SEP) en het staatsbedrijf Energie Beheer Nederland worden betrokken. Ook pleit ze voor uitwisseling van informatie met de Rijksgeologische dienst en het TNO. “Een aantal landen om ons heen kent staatsbedrijven, bijvoorbeeld Gaz de France, die de nationale industrie op hun bagagedrager meenemen als ze orders in het buitenland zoeken. Die bedrijven zitten op de eerste rang, ze krijgen het eerst informatie over projecten en mogelijke opdrachten. Dat kennen we in Nederland niet.”

Ze erkent dat zoiets met Gasunie en de SEP op dit moment nog beperkte betekenis heeft, omdat die bedrijven maar mondjesmaat buiten de Nederlandse grenzen werken. Maar het gaat haar vooral om de uitwisseling van informatie, kennis en ervaring. Ook met Shell zou er voor projecten in het buitenland een nauwere samenwerking met Nederlandse ondernemers op touw gezet kunnen worden.

Iro heeft als strategie ontwikkeld dat het exportdeel van de sector, nu nog 70 procent van het totaal, tegen het jaar 2000 moet groeien tot 90 procent en dat de omzet dan weer moet stijgen naar de 5 miljard gulden van 1992. “Maar dat lukt alleen als de industrie in eigen land voldoende kan demonstreren wat ze kan”, zegt Lastdrager. Door vertraging van het pakket financiële maatregelen dat Economische Zaken voor de kleine gasvelden op de Noordzee voorbereidt, is het seizoen-1994 praktisch verloren gegaan voor de industrie, meent ze. “We hopen nu op ten minste drie projecten op de Noordzee in 1995, en de ondergrondse gasopslag in Norg en Grijpskerk, anders ziet het er voor onze sector heel somber uit.”

In het overleg met de overheid wil de Iro ook een “consequente keuze voor aardgas” in het energiebeleid voorstellen. Na de eerste oliecrisis in 1973 heeft Nederland sterke nadruk gelegd om een vermindering van de afhankelijkheid van import-olie door de gaswinning, energiebesparing en het gebruik van duurzame bronnen als zonne- en windenergie te stimuleren. Lastdrager: “Toen dacht men dat olie en gas tegen de eeuwwisseling onbetaalbaar zouden worden, en dat de reserves tegen 2025 op zouden zijn. Nu blijkt echter dat olie en gas zo goedkoop zijn dat de prijs geen prikkel meer vormt voor die besparingen en dat er nog zeker 50 jaar lang voldoende olie en gas geleverd kan worden. Jarenlang heft het beleid om zoveel mogelijk gas uit kleine velden te winnen, succes gehad. Maar nu kan Nederland met zijn financiële voorwaarden niet meer concurreren tegen de buurlanden, en het enthousiasme van de oliemaatschappijen taant. Wij zeggen tegen de overheid: maak aardgas weer een gestructureerd onderdeel van je beleid, stimuleer de winning en stop meer geld in projecten om het zo veilig en milieuvriendelijk mogelijk te doen.”