Een Nederlandse scherpschutter in Warschau

Vandaag viert Polen de vijftigste verjaardag van de opstand van Warschau, die op 1 augustus 1944 begon. De opstand werd georganiseerd door het Thuisleger (AK), het niet-communistische verzet in Polen. De Nederlander Ludwig Stevens nam er aan deel.

Ludwig Stevens wist niet wat hij zag toen hij vier jaar geleden in zijn woonplaats Spijkenisse een Poolse krant onder ogen kreeg waarin hij werd bewierookt als “een voortreffelijk schutter, en een dapper maar bedachtzaam soldaat”. Zijn verbleekte herinnering uit 1944 werd ineens weer levend.

Het was min of meer toeval dat hij - als enige Nederlander - deelnam aan de Warschause opstand. In 1942 was hij opgeroepen voor de Arbeitseinsatz in Bonn, waar hij bij de Rheinische Kraftwagengesellschaft, beter bekend als de Mercedes-Benzfabrieken, te werk werd gesteld. Gevraagd om voor het filiaal in Warschau te werken aarzelde hij geen moment. “Voor mij was dat een uitgelezen kans iets van de wereld te zien”, zegt hij. In Polen aangekomen moest hij achterassen en versnellingsbakken repareren, en nuchter voegt hij er aan toe dat hij wel eens water in plaats van olie in de versnellingsbakken goot of nieuwe onderdelen bestelde, die hij voor een zacht prijsje op de zwarte markt verkocht, terwijl hij de oude weer terugplaatste. Nee, sabotage zou hij dat niet willen noemen. “Ach, dat klinkt zo gewichtig.”

Op een avond leerde hij de Poolse Alicja kennen. “Het was liefde op het eerste gezicht.” Ze trouwden. Dat na enkele maanden bleek dat zijn nieuwe aanwinst niet alleen een trouwe echtgenote, maar ook koerierster voor de Poolse ondergrondse was, verraste hem nauwelijks. Zo ging dat nu eenmaal, dacht hij. En zonder aarzelen informeerde hij haar over de voorraden militaire voertuigen in de Mercedes-Benzfabriek.

Toen de Sovjet-troepen Warschau naderden trok de Duitse fabriek zich noodgedwongen terug en Stevens dook samen met zijn vrouw onder in een boerderij buiten Warschau. Niet veel later, op 31 juli 1944 kregen ze bericht dat ze zich weer in Warschau moesten melden. Ze wisten dat het uur X was aangebroken. “De Polen voelden er niets voor om voor de zoveelste keer in de geschiedenis door de Russen te worden bezet. Ze wilden zichzelf van de Duitsers bevrijden”, zegt Stevens, die geen moment twijfelde over zijn deelname aan de opstand.

De volgende ochtend vroeg werden de wapens uitgedeeld en de opstandelingen betrokken hun stellingen. Zelf moest hij het trouwens nog even zonder wapen doen. Als hulpje van een Piat-schutter moest hij anti-tankgranaten scherp stellen. Op de vierde dag raakte een machinepistool-schutter, die bij hem in de kamer stond, gewond. “Rys was zijn schuilnaam. Vanaf hotel Polonia op zo'n 300 meter in de Jerozolimskalaan werd zijn baret door een Duitse scherpschutter doorboord. 'Wees voorzichtig' zei hij nog, 'er wordt op mij geschoten.' Hij draaide zich om en toen viel er een tweede schot. Rys werd in zijn borst geraakt. Ik nam zijn machinepistool en mikte op het raam van de derde verdieping. Raak.”

Sindsdien fungeerde hij als sluipschutter. Via een onderaards gangenstelsel (“De keldermuren waren doorbroken en zelfs waren er maanden tevoren al tunnels onder de straten gegraven”) begaf hij zich van het ene naar het andere pand om een gunstige positie te kiezen tegenover het treinstation, waar de Duitsers zich hadden verschanst. “Die opdrachten kreeg ik vooral via Alicja die als ordonnans fungeerde. Wij verloren elkaar niet uit het oog”, lacht hij.

“Als dienstplichtig soldaat”, zo verklaart hij zijn deskundigheid, “was ik al scherpschutter. Zo heb ik veel Duitsers uitgeschakeld. Hoeveel weet ik niet. Maar ik stond bekend als de schrik van de Duitsers.” En bij zijn kommandant stond hij in hoog aanzien omdat hij geen munitie verspilde. “Als ik niet zeker was dat een schot raak zou zijn, schoot ik niet. Dat kwam goed uit, want wij hadden bij lange na niet zo veel munitie als de Duitsers.”

Op een dag stelden de Duitsers in het stationsgebouw een kanon op. Ze hakten een gat in de muur waar de loop doorheen stak. Stevens had 's nachts het hakken gehoord, maar bij zonsopgang kreeg hij pas door dat de loop op zijn kamer stond gericht, op een afstand van slechts vijftig meter. Meteen maakte hij zich uit de voeten. Hij had de kamer nog niet verlaten of een kanonskogel liet een gapend gat in de muur achter. “Waar de Duitsers niet op hadden gerekend was dat ik binnen enkele seconden op dezelfde plek stond en hen onder vuur kon nemen en uitschakelen”, zegt hij niet zonder trots.

Twee maanden lang was Stevens een gevierde sluipschutter. Twee dagen voor het einde van de opstand, de grootste ondergrondse gevechtshandeling tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in totaal 63 dagen zou duren, verliet hij de stad. Duitse Stuka's hadden de strijd een beslissende wending gegeven. Er stond in het hart van de stad vrijwel geen gebouw meer overeind en het verzet kon nauwelijks nog dekking zoeken tegen de bommenwerpers. Van de 45.000 man van het 'vaderlandleger' van generaal Bór-Komorowski was zeker de helft omgekomen. Aan Duitse zijde waren de verliezen niet veel kleiner. Intussen stonden de Russische troepen reeds in Praha, het oostelijke deel van de stad. “De Russen hebben hebben net zo lang gewacht totdat wij het aflegden tegen de Duitsers. Toen was er geen weerstand meer en konden ze Warschau bezetten. Dat was hogere politiek, volgens mij”, zegt hij.

Stevens verliet de stad in burgerkleding. “Mijn commandant raadde me aan de stad te verlaten, omdat ik geen Pool was en het onzeker was hoe de Duitsers mij zouden behandelen, als Pools soldaat, als opstandeling of als terrorist.” Samen met zijn vrouw en een groot deel van de Warschause bevolking trok hij westwaarts tot hij in Tsjechoslowakije de bevrijding meemaakte.

Nog steeds neemt Polen voor hem een bijzondere plaats in. Daar voelt hij zich gewaardeerd, ook dank zij de toekenning van het Poolse verzetskruis. Hij beschouwt Polen als zijn tweede vaderland. “Als ik ooit nog eens kameraden zou moeten uitzoeken dan zouden het Polen zijn - hun solidariteit, hun opofferingsgezindheid, hun dapperheid zijn me altijd bijgebleven.” Afgelopen jaar bezocht hij tijdens de herdenking Warschau voor het eerst sinds 49 jaar. Dit jaar gaat hij er weer heen voor de 50-jarige herdenking. “Dat is dan ook het afscheid van mijn Poolse verleden.” Dan hoopt 'de Hollander Lu', zoals zijn naam in de Poolse annalen voortleeft, ook zijn voormalige Poolse vrouw te ontmoeten, van wie hij dertig jaar geleden scheidde.

Hij zet het Poolse volkslied in. “Nog is Polen niet verloren...”