Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Het Hollywood van de evolutie; Glamour en opgezette dieren in het nieuwe Zoölogisch museum in Parijs

Van een uitstalkast met geprepareerde dieren werd het onlangs heropende Zoölogisch museum in Parijs een spektakel - met de giraffe, de neushoorn en het nijlpaard in de hoofdrol en fraaie bijrollen voor onder meer de kobaltblauwe vijfpuntige zeester en de staartloze maanvis. Bovendien slaagden de Fransen er opnieuw in om een 19de-eeuws bouwwerk zo te restaureren dat de schoonheid volkomen intact bleef.

La Grande Galerie. Jardin des Plantes. Geopend dagelijks van 10 tot 18 uur, behalve dinsdag. Catalogus La Grande Galerie du Muséum national d'histoire naturelle, 245 francs.

Een beetje natuurhistorisch museum dankt zijn aantrekkingskracht aan dat mysterieuze mengsel van jachtlust, verzamelwoede, determineerdrift, veroveringsdrang, jongensboekenromantiek en Jules Verne. Het is het gruwelkabinet van doctor Caligari, de anatomische les van professor Tulp en de vlindercollectie van Vladimir Nabokov. Het is de geur van kamfer en motteballen, de foetus op sterk water, King Kong in volle glorie en de botten van de dinosaurus. Het zijn kastjes met knaagdieren, doosjes met torren, laatjes met adders en vitrines vol dode vogeltjes. Het is vooral veel en groot en onbegrijpelijk in zijn schijnbaar ordeloze systematiek. Zo'n museum was de Galerie de Zoologie in de Parijse Jardin des Plantes. Honderdvijf jaar geleden ging ze open tijdens de Wereldtentoonstelling, negenentwintig jaar geleden sloot ze wegens verregaande verwaarlozing haar deuren weer voor het publiek. Het stof daalde neer op de ruim een miljoen opgezette beesten.

Vorige maand kwam aan die schemertoestand eindelijk een einde. Na een ingrijpende verbouwing die zeven jaar duurde is het Zoölogisch museum herboren en de Fransen zouden de Fransen niet zijn als ze hun nieuwe pronkstuk niet 'La Grande Galerie' hadden gedoopt. François Mitterrand verrichtte eigenhandig de opening en hij schijnt een kreet van verrassing niet te hebben kunnen onderdrukken. Parijs heeft er een publiekstrekker bij.

Van een zoölogisch rariteitenkabinet is het museum omgevormd tot een tempel voor de geschiedenis van de evolutie. Van een uitstalkast met geprepareerde dieren werd het een spektakel met son et lumière, met de giraffe, de neushoorn, de olifant en het nijlpaard in de hoofdrol en een ontelbaar aantal zeer fraaie bijrollen. Zoals voor het geraamte van de 70 ton wegende potvis die professor Pouchet in 1886 heeft gevonden. Of voor de Colibri coquette huppe-col, die er in slaagt op zijn krap vijf centimeter omspannende lijfje nog een piepklein roodveren kroontje te dragen. Voor de kobaltblauwe vijfpuntige zeester en de staartloze maanvis, die direct na zijn rugvin ophoudt te bestaan. Of voor de walrus, die wonderlijke gerimpelde aardappelzak met slagtanden, die hier samen met de ijsbeer het poolgebied bevolkt. De beesten zijn zo aaibaar dat menige moeder de kinderknuistjes uit een opengesperde nijlpaardenbek of uit de manen van de leeuw moet trekken. “Wordt mijn schildpad ook zo groot?” vraagt een meisje verschrikt bij de camouflagekleurige zeeschildpad die de omvang heeft van een klein formaat tank.

Onderwatergebroed

Direct bij binnenkomst duikt de bezoeker langs het karkas van de baleinwalvis de diepzee in, waar vier miljard jaar geleden de oorsprong van het leven lag. La vie dans les abysses. In het halfduister loopt hij langs een school zwevende haaien, zwaardvissen, sidderalen en ander onderwatergebroed. Sommige zijn helaas niet echt. Zo heeft de dolfijn te veel vet in zijn huid om hem te kunnen conserveren en de reuzenoctopus kan, neem ik aan, alleen onder druk van het zeewater in vorm blijven. Hier moest men dus met replica's volstaan. Maar de meeste vissen zijn echt en de mooiste van al is de zeeduivel, een zeer chagrijnig ogende zwarte pannekoek met een gapende muil vol schots en scheef gegroeide tanden. Hij draagt een hengel op zijn kop en ik stel me voor hoe de visjes die in zijn vleesdobber bijten rechtstreeks in zijn fuiksgewijs opengesperde bek verdwijnen. Het kan ook zijn dat die hengel een fosforiserend lampionnetje draagt dat de duivel in de donkere diepzee bij moet lichten.

In vitrines staan blauwe wekflessen met de ongewervelden. Hier zie je de meest fantastische kwallen, mollusken en garnalen. Doorschijnende parachutes, opwaaiende zomerjurken, witbehaarde tongen, bruidssluiers, voetangels en schelpenklemmen tonen het juwelenkistje van de zeebodem. Door de perfecte belichting is elke kwal en elk schaaldier te bestuderen. Zo begreep ik aan de hand van een geraamte van een schildpad voor het eerst dat het schild van de pad eigenlijk een hoog opgetrokken ruggegraat is, versterkt met een naar achteren geklapte ribbekast.

Pas wanneer je via de zeehonden en pinguins op de eerste verdieping boven de zeespiegel uitkomt, openbaart zich het indrukwekkende interieur van de Grande Galerie. De Galerie de Zoologie, een ontwerp van architect Jules André, is na twaalf jaar bouwen in 1889, tegelijk met de Eiffeltoren, opengegaan. Het is een schitterend voorbeeld van laat-negentiende-eeuwse bouwkunst. De hoge hal lijkt met haar glazen overkapping, drie etages gaanderijen langs de muren, smeedijzeren pilaren en balustrades op een oud stationsgebouw. Vierhonderd miljoen francs heeft de Franse regering via de Mission Interministérielle des Grands Travaux in de renovatie gestoken en het is de Fransen opnieuw gelukt een negentiende-eeuws bouwwerk zo te restaureren dat zijn schoonheid volkomen intact blijft.

Vanuit de diepzee stijgt de bezoeker op naar de hoger op de evolutieladder staande zoogdieren. De centrale parade, die sterk doet denken aan afbeeldingen van de inscheping aan boord van de ark van Noach, wordt gevormd door de beesten van de Afrikaanse savanne. Behalve de savanne tref je hier ook de woestijndieren en de bewoners van het oerwoud, de apen en de vogels, die overigens in hun hoge metalen boomconstructie slecht zichtbaar zijn. De vormgevers hebben niet geprobeerd de beesten in hun natuurlijke omgeving te plaatsen. In deze kale high-tech omgeving is geen plaats ingeruimd voor bomen, planten of woestijnzand. De hoogtijdagen van het diorama zijn voorbij. De beesten staan op de voorgrond en de opstelling is theater, geen natuur.

Blote roze big

Op de tweede gaanderij komt de bemoeienis van de mens met de natuur in beeld, eerst nog onschuldig, via de jacht en het temmen van het beest (de blote roze big naast het harige everzwijn), later dramatischer door vervuiling, overbevolking en ontbossing. Welke catastrofale gevolgen dat kan hebben is te zien in de zaal van de uitgestorven en bedreigde dieren, al is de mens hierbij niet de enige boosdoener (zoals Stephen Jay Gould zo mooi kan uitleggen waren wij er niet geweest als we niet in het gat waren gesprongen dat ontstond door het uitsterven van de dinosaurus). Hier staan het geraamte van de zwarte emoe, de bedreigde Chinese tijger, de buidelwolf, de Europese lynx en de Californische condor.

Op de bovenste etage volgt uitleg over genetica, celstructuren en moleculaire biologie. De computerspelletjes, tekenfilmpjes en educatieve grapjes zijn aan mij niet erg besteed, maar voor kinderen valt er veel te ontdekken. Onbegrijpelijk vind ik het 'praatpalenbos', een groepje stangen met kleine videoschermpjes met pratende hoofden, die ernstig discussiëren over Het Milieu, De Vervuiling en aanverwante zware onderwerpen. Het is de enige plek op de tentoonstelling, waar het moralisme opeens om de hoek komt kijken en dat stoot meteen af. Geef mij maar de wilde pracht van de paradijsvogel, de onverzettelijkheid van de dikke rinoceros die nog stamt uit de dierentuin van Lodewijk XV, het stekelvarken met de zwart-witgestreepte breipennen op zijn rug, de miereneter met zijn stofzuigerneus en de narwal, wiens meterslange gedraaide hoorn door onze voorouders eeuwenlang voor het handelsmerk van de legendarische eenhoorn werd aangezien.

Nooit eerder zag ik insekten zo gracieus opgeprikt als in de felverlichte vitrines van de Grande Galerie. Zo tonen ze een sextetje van gifgroene scarabeeën met voelsprieten die een paar keer zo lang zijn als zij zelf. Of de apioscelis bulbosa, die niet meer om het lijf heeft dan een streepje met zes pootjes. En bekijk je een zwerm sprinkhanen van boven dan lijken ze nog het meest op ballerina's die met opgetrokken knieën op hun rug liggen.

Jachttrofeeën

De 'Jardin Royal des plantes médicinales et du Cabinet des Drogues' aan de oever van de Seine ontstond in 1635, tijdens het bewind van Louis XIII. De bloeiperiode van de tuin en de snel groeiende collectie flora en fauna brak aan in 1739, toen Georges-Louis Leclerc, graaf van Buffon, intendant werd. Buffon, wiens standbeeld nog steeds voor het museum staat, had hogere ambities dan dor classificeren-à-la-Linnaeus. De natuur moest het publiek verrukken door haar rijkdom. Het was de graaf te doen om overdaad en verrassing. Na de Franse revolutie verschoof het accent naar opvoeding en onderzoek. Nadat in 1793 het Museum voor natuurlijke historie was opgericht, barstte de collectie snel uit haar voegen. Zo werd, na de overwinning van de Fransen, bij ons het beroemde Natuurhistorische Kabinet van de stadhouder van Holland weggesleept. De koloniale veroveringstochten leverden een lawine aan jachttrofeeën op. Beroemd waren de diorama's van de onstuitbare hertog van Orléans, die veertig jaar jagend en schietend door het leven ging en van zijn opgezette slachtoffers spannende jachttafrelen liet componeren. Eén daarvan, een tijger die een Indische olifant met draagstoel op de rug bespringt, is in het nieuwe museum nog te aanschouwen.

Na de opening van het nieuwe museum in 1889 ontbrandden al gauw de debatten over het nut van zo'n bonte verzameling. De traditionele classificerende zoölogie had zijn beste tijd gehad, de evolutieleer, de celbiologie en de genetica waren in opmars. Critici spraken van een 'onsamenhangend spektakel'. Met het verstrijken der jaren werd het stiller en stiller in de zalen en zette het verval in. Toen het museum in 1944 bij een bombardement beschadigd werd, nam men zelfs niet meer de moeite de lekkages te repareren. In 1965 zag men zich genoodzaakt de galerie voor het publiek te sluiten.

Zo beschreef professor Jean Dorst, wetenschappelijk medewerker van het Zoölogisch Museum, de toestand in een noodkreet uit 1972: 'De museumstukken, die blootgesteld zijn aan het licht omdat de ondoorschijnende gordijnen al lang aan flarden zijn gegaan, verschieten van kleur en zijn deels ten prooi gevallen aan insekten. Het stoffelijk overschot van de grote zoogdieren, onderworpen aan het regenwater ondanks de vindingrijkheid van de bewakers die ze verplaatsen met het oog op de lekkages, barsten en beschimmelen op hun gipsen modellen. Een dikke laag van stof daalt op alles neer, terwijl de insekten hun pootjes, de schaaldieren hun kleuren en de bokalen hun alcohol verliezen.'

Eind jaren zeventig kwam er weer enige beweging in de zaak. Men besloot wetenschap en volksvermaak van elkaar te scheiden en vóór het museum werd een ondergrondse zoötheek ingericht waar het leeuwendeel van de collectie voor wetenschappelijk onderzoek werd ondergebracht. Maar pas in 1986 lukte het de directie de regering voor een ingrijpende verbouwing te interesseren.

Het ministerie van nationale educatie schreef een internationale prijsvraag uit voor het beste ontwerp, die gewonnen werd door de architecten Paul Chemetov en Borja Huidobro. Zij zijn wonderwel in hun opzet geslaagd. Ze kozen voor het podium op de eerste verdieping, eenvoudige houten trappen langs de zijwanden en een viertal glazen liften, die de ruimte van de hal niet hinderlijk doorbreken. Het karkas van het gebouw lieten ze ongemoeid. De glazen overkapping is verduisterd met lamellen, omdat de beesten geen zonlicht kunnen velen. Het kunstlicht varieert al naar gelang de natuurlijke omgeving van de beesten: blauwig voor het poolgebied, geel voor de savanne, groenig voor de jungle en wit voor de woestijn.

Apesmoel

De architecten werkten nauw samen met regisseur René Allio, die de opstelling ensceneerde en Georges Boeuf, leider van een experimentele muziekgroep uit Marseille. Hij componeerde met behulp van vijfhonderd natuurgeluiden een 'lied van de natuur' maakte dat een paar keer per dag wordt afgespeeld. Samen met de van kleur verschietende belichting suggereert deze minimal music de weers- en stemmingswisselingen van de dag, met vogelgeluiden, het spel van zon en wolken, het rollen van de donder en het ruisen van de regen. Over een van de balustrades hangend kun je de voortruisende muziek, de lichtschakeringen en de ruimte rustig op je laten inwerken. Hier en daar zijn speelsigheden toegepast, zoals de giraffe die vanaf de bovenste etage zijn lange nek nieuwsgierig naar beneden steekt. Bij de vitrine met de mensapen, die in de evolutie het dichtst bij ons staan, zie je dankzij een verdekt opgestelde videocamera opeens je eigen apesmoel in beeld verschijnen.

Wat de zin ook al weer is van een verzameling opgezette beesten met van die knikkerogen? Je hoeft maar even binnen te lopen bij de treurige restanten van de oude ménagerie van de Jardin des Plantes om je ervan te vergewissen dat je als wolf stukken beter af bent wanneer je in volle postume glorie deelneemt aan de grande parade van de geschiedenis van de evolutie, dan wanneer je met een of twee schurftige lotgenoten een kale zandkuil deelt achter hekwerk aan de oever van de traag voortmodderende Seine.

De restauratie van de Grande Galerie is geslaagd. De geschiedenis van de evolutie blijft een gouden onderwerp. Maar ook wie niets wil leren, en zich alleen wil verlustigen in de waanzinnige variëteit van het dierenrijk komt aan zijn trekken. Wie zijn kinderen de uitgestorven beesten wil laten zien, weet zich van succes verzekerd. En toch knaagt er heimelijk iets bij het Hollywood van al die schijnwerpers, geraffineerde geluiden en halogeenverlichting. Bladerend door de catalogus valt het oog op de afbeeldingen van de vroegere opstelling. Wat is toch de geheimzinnige bekoring van die overdaad? Is het jeugdsentiment? Is het omdat je op de ark van Noach ook niet zou willen volstaan met een strenge, wetenschappelijk verantwoorde selectie van die dieren die het voortbestaan van de soort kunnen garanderen, maar gewoon ieder dier, gewerveld of ongewerveld, aan boord zou willen hijsen om samen koers te zetten naar de horizon?