Hoe de Fiod de lange arm van de politiek werd

Toen begin jaren tachtig de omvang van belastingfraude zo groot leek dat al werd gesproken van de 'Italianisering van Nederland', groeide de behoefte de 'belastingcriminaliteit' met onconventionele middelen te lijf te gaan. De Fiod was daarbij een belangrijk middel. Inmiddels blijken ook de nadelen. Bericht uit de branche van fraudeurs, speurders en advocaten. Van Slavenburg tot Van der Valk - hoe de Fiod de 'lange arme van de politiek' werd.

Na vier jaar vechten tegen de overheid nam zijn bestaan een ongedachte wending. Ineens verloor hij de greep op zichzelf. Als hij 's middags naar huis reed kon er een waas op hem afkomen, een soort spook, dat rood was, met graaiende handen. Dan trok hij aan zijn stuur, ging slingeren, en kwam pas weer bij als hij zijn zoveelste crash had gemaakt. Of het gebeurde dat hij thuis als een kwaaie kleuter op de eettafel afliep en zomaar alle zes borden op de grond smeet. “Kapot!”, riep hij dan. Als zijn vrouw de borden door nieuwe verving, deed hij het nog eens over. “Kapot!”

De ervaringen van de ex-ondernemer W. Hozee (50) met de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (Fiod) waren toen, in 1985, nog lang niet op de helft. In 1981 begonnen ze, en dertien jaar later, in 1994, heeft hij nog beroepszaken lopen. Geen uitzonderlijke termijn voor een Fiod-zaak, zegt zijn advocaat, mr. S. Langenveld uit Rotterdam, maar in dit geval wel bijzonder schrijnend. “Bij deze man ben ik er honderd procent van overtuigd dat hij onschuldig is. Het is een van de grootste drama's die ik als advocaat heb meegemaakt.”

In de tijd dat de problemen met de fiscus aanvingen, was Hozee een trotse self made-man, een getapte jongen uit een Haagse volksbuurt die zich al op zijn tiende had voorgenomen later een Mercedes en een zwembad te bezitten. Met een korte technische opleiding en een baantje als glazenwasser als bagage begon hij in 1968 voor zichzelf in de schoonmaakfirma Servio BV, vanuit een kantoortje aan de Laan van Nieuw-Oost-Indië. De dienst gemeentewerken van Den Haag was zijn eerste klant.

De kantorenbouw in de residentie nam een hoge vlucht, het modale inkomen steeg razendsnel en werkloosheid was er nauwelijks. Wie zich aan het schoonmaken van de nieuwe rijkdom wilde wijden kon overal terecht - en de betaling was lang niet slecht. Esso, de Notariële Broederschap, het KNOV, de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), het ministerie van defensie: allemaal lieten ze de ramen lappen en het kantoor boenen door Servio BV. De directeur en zijn echtgenote stonden ook 's zaterdags om kwart over vijf 's ochtends op om zelf emmer en poetsdoek ter hand te nemen, want werknemers konden ze destijds te weinig vinden om aan alle vraag te voldoen.

Het loonde wel. Al in de jaren zeventig kochten ze een huis in Schoten, nabij Antwerpen, en geld voor een zwembad was er ook. Hozee zag zich gesterkt in zijn opvatting dat je als kleine jongen zonder opleiding ver kon komen - als je maar hard werkte.

Op een dag in 1981 meldden zich een tweetal Fiod-ambtenaren bij zijn bedrijf. Hozee voerde er 'gezellige gesprekjes' mee, er leek geen vuiltje aan de lucht. Totdat hij een half jaar later een aanslag van 2 miljoen gulden kreeg toegestuurd, een bedrag gelijk aan 40 procent van zijn omzet. De aanslag was 'ambtshalve' opgelegd, zodat een motivatie ontbrak. Hozee vroeg daar wel om, maar wat hij ook probeerde: het hoge woord bleef onuitgesproken.

Toen die toestand drie jaar voortduurde, besloot hij april 1985 de strijd met de belastingdienst via de rechter uit te vechten. Met een kort geding wilde hij de dienst alsnog dwingen de opgelegde aanslag te motiveren. “Ik won”, zegt Hozee, “ik was de eerste particulier die de belastingdienst versloeg.” De euforie was van korte duur. Hij had nog geen tien stappen buiten de Haagse rechtbank gezet, of drie agenten sloegen hem in de boeien. De komende 42 dagen zou hij in de cel verblijven.

In het begin van de jaren tachtig, parallel aan de zaak tegen Hozee, maakte de Fiod een grote sprong voorwaarts in het openbare leven. De dienst stond voortaan voor een scherp, agressief optreden tegen fraude met belastingen. Beslissend voor die ontwikkeling was de zaak tegen Slavenburg's Bank in 1983, de big bang van de Fiod in de slag met zwart geld-circuits in Nederland. “Een keerpunt”, zegt de toenmalige Amsterdamse fraude-officier van justitie mr. J. de Bruin. “Iedereen wist dat er zwart geld bij banken omging, niemand deed er wat aan. Nu kon je zeggen: we pakken niet alleen de kleintjes, maar ook de grote.”

Bij de Fiod zorgde de Slavenburg-zaak voor een olievlekwerking. Er was iets gebeurd bij de dienst in Haarlem, die tot eind jaren zeventig nog een zelfde ingetogen imago had als, pakweg, de AID van het ministerie van landbouw en de ECD van Economische Zaken.

Op Financiën was de aanpak met de eigen bijzondere opsporingsdienst veranderd toen studies hadden aangetoond dat de overheid jaarlijks tientallen miljarden belasting misliep door fraude. Oud-hoofddirecteur der rijksbelastingen W.J. van Bijsterveld rekende zelfs voor dat tweederde van de ondernemers en 60 procent van de particulieren 'belastingcriminaliteit' pleegden. Schattingen van overheidscommissies telden op tot 20 of 50 miljard belastingfraude per jaar; er werd wel gesproken van de 'Italianisering van Nederland'. En omdat de overheid bovendien steeds krapper bij kas kwam te zitten, was er naast een moreel ook een financieel argument om de bestrijding van fraude versterkt ter hand te nemen.

Dat gebeurde op twee manieren. Om de Fiod de beschikking over meer personeel te geven, werden op de controleursopleiding van de belastingdienst vanaf eind jaren zeventig de nieuwe FIOD-ambtenaren gewoon aangewezen. “De meesten voelden er niets voor, want de Fiod straalde rust uit”, zegt mr. F. Teeven, in 1980 als 21-jarige een van degenen die zo bij de Fiod terechtkwam. Hij werkte er tot dit jaar, toen hij (fraude-)officier van justitie in Amsterdam werd. “Dwangmiddelen werden zelden toegepast in mijn beginperiode”, zegt hij. “Je had een verdachte, die werd verhoord, daarna hoorde je wat getuigen, dan weer de verdachte - en zo ging dat door. Negen van de tien gevallen werd niet vervolgd.”

En de spaarzame keren dat de Fiod wel een mooie fraudegeval aan het openbaar ministerie kon leveren, ontbrak daar vaak de tijd en de deskundigheid om de zaak af te maken, zegt De Bruin, in 1980 bij het OM binnengekomen als de eerste gespecialiseerde fraude-officier van Nederland. “Toen ik aan kwam lagen de fraudezaken gewoon in de kast te wachten. Er zaten heel grote tussen. Ik pakte ze op, de Fiod was dat niet gewend. De dienst kreeg eindelijk respons.”

Dat was bij Teeven en zijn generatie niet tegen dovemansoren gezegd. Ze waren niet zelden angry young men, jongens die een paar jaar eerder op de middelbare school nog kennis hadden gemaakt met de maatschappijkritiek van de jaren zeventig. Ze verpersoonlijkten de groeiende behoefte in samenleving en politiek om belastingfraude met alle mogelijke middelen aan te pakken. En ze konden hun gang gaan. “Sturing was er nauwelijks”, zegt Teeven. “Je kreeg een zaak, samen met een oudere collega, en ze zeiden: ga maar op pad, kijk maar wat er te halen valt. Je mocht alles, zolang er maar geen grote problemen ontstonden.”

Nieuwe regels werden gaandeweg gemaakt. De getalenteerde Teeven deed het al bij een van zijn eerste zaken. “Het ging om steekpenningen waarbij Dow Chemical was betrokken. We reden bij een verdachte langs en zeiden dat we de aanslag even kwamen controleren. Toen vonden we bij die man een stapeltje interessante papieren. We vertelden hem dat we die stukken mee wilden nemen. Hij keek ons aan, propte het in zijn mond, begon te kauwen en slikte ze door! We hebben die man à la minute gearresteerd. Dat was ongekend in die tijd.”

De verdediging van deze verdachte klom in de hoogste boom. 'Ongehoord' was het, zei de Bredase advocaat mr. J. Hertoghs, dat een Fiod-ambtenaar zich eerst als belastingcontroleur kon opwerpen om zich in een split second om te vormen tot opsporingsambtenaar. Op die manier kon een belastingplichtige gedwongen worden eerst het bewijs van zijn eigen onwettig handelen te openbaren, om vervolgens te worden ingerekend. Hertoghs zette zijn zaak door tot aan de Hoge Raad, maar ook daar verloor hij. “Ik blijf het verwerpelijk vinden”, zegt Hertoghs. “Fiod-ambtenaren hebben twee petten op, dat leidt tot misbruik.”

Een toenmalige ambtenaar van het ministerie van justitie, mr. H. van Wieringen van de afdeling Opsporing, repte met het oog op dit soort gevallen korte tijd later van het gevaar dat Nederland een 'fiscale politiestaat' dreigde te worden.

Na zijn vertrek uit de cel wist schoonmaakfirmant Hozee in ieder geval waarvan hij werd verdacht. Een kenner van fiscale finesses was hij nog steeds niet, maar het bleek allemaal te draaien om de zaken die hij deed met zijn buurman aan de Laan van Nieuw Oost-Indië.

Deze was directeur van Maatschappij Wildsveen NV, een niet-operationele onderneming die over een 'compensabel verlies' beschikte, zo had hij zijn buurman Hozee ooit uit de doeken gedaan. Hij had gewezen op de goede zaken die Hozee daarmee kon doen. Het was simpel: werk dat Hozee aannam werd door Wildsveen als onderaannemer uitgevoerd, dat als verlies makend bedrijf minder belastingen hoefde te betalen dan Hozee. “Ik was niet roomser dan de paus, echt niet”, zegt Hozee, “maar begreep dat het een legale contructie was.” Hij legde het nog voor aan zijn accountant, van Paardekooper & Hoffman, en die zag ook geen bezwaren. Ook de bedrijfsvereniging Detam en het ziekengeld uitkerende GAK deden er niet moeilijk over. “Stom misschien, maar als praktijkman dacht ik: als zij het accepteren is er geen vuiltje aan de lucht.” Vandaar ook dat hij het normaal vermelde in zijn aangifte. Maar nu bleek dat de Fiod dit niet zozeer als het ontlopen van belasting zag, doch als het ontduiken ervan; dat Maatschappij Wildsveen niet zozeer onderaannemer was, maar een dekmantel om werknemers zwart uit te betalen. “Die verdenking”, zegt Hozee's advocaat Langenveld, “heeft alleen maar kunnen rijzen omdat Hozee zijn administratie niet zorgvuldig voerde. Hij was een praktijkman, geen persoon die alles keurig in de boeken vastlegde. Daarom kon op grond van alleen de boekhouding de indruk ontstaan dat de man zwart uitbetaalde, maar daarvan was geen sprake.” Hozee liep in die dagen met schuldgevoelens rond. Hij nam het zich kwalijk dat hij het zover had laten komen, maar voelde zich gesterkt door zijn advocaat en accountant, die zeiden dat zijn zaak vermoedelijk niet eens voor de rechter zou komen. Dat gebeurde wel: vier jaar later. Maar tussendoor kreeg Hozee, met 650 werknemers inmiddels 'de grootste schoonmaker van Den Haag', op andere wijze met de Fiod te maken.

In de loop van 1986 werd hij opnieuw gearresteerd, nu door de Fiod samen met de Koninklijke Marechaussee. Hij zou er de voorpagina van De Telegraaf mee halen, als 'de man van tien miljoen'. De verdenking was dat hij een ambtenaar van het ministerie van defensie steekpenningen had betaald om schoonmaakwerk à tien miljoen gulden te verkrijgen. En alweer zou hij een meesterlijke truc hebben uitgehaald. De echtgenote van de ambtenaar stond bij hem op de loonlijst - ziedaar de doorgestoken kaart: ze werkte niet werkelijk voor hem, ze stond daar slechts als alibi voor de betaling van de steekpenningen.

Drie dagen zat Hozee vast. En net als de vorige keer weigerde hij iedere medewerking, gekrenkt als hij was in zijn trots, vernederd als hij zich voelde door de aanhoudende pogingen hem te kleineren. “Dan schreeuwden ze: waar heb je godverdomme die miljoenen gelaten? Of ze zetten een lief stemmetje op: joh, wij hebben ook kinderen, we begrijpen wel dat je het moeilijk hebt, maar als je nu gaat praten ben je vanmiddag weer thuis. Ik heb gezwegen, ik dacht: mij krijg je niet klein.”

Toen een jaar later de vrijspraak volgde (“ze hadden geen poot om op te staan”), had Hozee inmiddels zijn eerste bezoeken aan een psychiater bij het RIAGG in Breda achter de rug. Hij had zich te lang groot gehouden, zei de psychiater. Nu was hij was doorgedraaid, ingestort. Zijn geheugen, vroeger zijn grote trots - een offerte uit 1979 haalde hij zó uit de kaartenbak - functioneerde ook niet meer. Bij de meest basale zaken had hij ineens hulp nodig. Zat hij een rekening te schrijven, was er het woord 'trap', moest hij in het woordenboek kijken: met een b of een p?

In de tweede helft van de jaren tachtig werd de opbrengst van de bestrijding van fraude met belastingen ook formeel toegevoegd aan de inkomsten van de overheid. Het tweede kabinet-Lubbers, aangetreden in 1986, boekte een miljard gulden in als opbrengst van 'geïntensiveerde fraudebestrijding', zoals dat in jargon heet. Bij de vorming van Lubbers-III gebeurde hetzelfde (en de 'paarse' ex-partners hadden voor Kok-I ook alweer een miljard ingeboekt). De Fiod is er groter en machtiger door geworden. Want weliswaar heeft de overheid meer manieren om de opbrengsten van fraudebeleid op te stuwen, de Fiod bleef het belangrijkste uithangbord van Financiën. Het aantal medewerkers steeg van 100 in 1980 tot ruim 600 in 1994.

Langzaam is ook een min of meer georganiseerde tegenbeweging op gang gekomen. Steeds meer advocaten zijn zich gaan specialiseren in Fiod-zaken. Ze komen samen in een clubje, geheten 'Fistra' (fiscaal strafrecht). Volgens een van hen zijn er inmiddels veertien advocaten die full time aan Fiod-zaken werken. De methoden van de Fiod zijn bekender geworden: een inval wordt bij voorbeeld vaak rond zeven uur 's ochtends gepleegd, omdat de psychologische gesteldheid van een verdachte dan het zwakste is. En in de trendsettende strafzaak tegen de leden van de raad van bestuur van Slavenburg's Bank, tweede helft jaren tachtig, werd intussen duidelijk dat Justitie er grote moeite mee had verdachten van zwart geld-transacties ook daadwerkelijk veroordeeld te krijgen.

Niettemin bleef de Fiod een lastige tegenstander, zeggen de advocaten van 'Fistra': de dienst doet haar werk grondig. “Ze zijn goed in het achterhalen van geldstromen”, zegt advocaat Hertoghs. “Er zijn weinig details die de dienst ontgaan. Ik sta vaak versteld van de ijver en toewijding van de mensen die er werken. Er heerst daar een esprit de corps.” Zijn confrère mr. J. Italianer van Nauta Dutilh heeft een zelfde ervaring. “Ze duiken diep in de materie, ze kammen alles uit.”

Maar kritiek is er ook. De 'fiscale politiestaat' waartegen eerder werd gewaarschuwd, komt steeds dichterbij, zeggen de advocaten, omdat de Fiod in feite een verzelfstandigde politiedienst zou zijn. “Als ergens in Nederland de vierde macht bestaat, is het bij de Fiod”, zegt Hertoghs. “Niemand heeft er greep op”, meent de Haagse raadsman mr. M. Wladimiroff, ook Fistra-lid. “Bij de belastingdienst mist men de strafrechtelijke expertise, bij het OM ontbreekt de tijd. En de leiding van de Fiod is zwak, die mist de greep op de eigen medewerkers.”

Dat laatste is een veel gehoorde klacht. De scherpzinnige jongens die begin jaren tachtig bij de dienst instroomden hebben inmiddels bijna allemaal een gevestigde positie binnen de Fiod (bijna niemand vertrok), terwijl de leiding gemiddeld om de vijf jaar wisselt. Die leiding wordt bovendien gedwongen zich aan de wetten van de moderne tijd aan te passen: de belastingdienst vindt dat er voldoende 'output' moet zijn, dat het aantal geïnvesteerde onderzoeksuren in redelijke relatie tot het resultaat moet staan. De 'speurders van het eerste uur', die gewend waren in alle vrijheid te werken, vinden dat evenwel een 'te bureaucratische benadering' en hebben mitsdien de neiging hun eigen plan te trekken - wat de leiding ook moge willen. En het is door die spanning, zeggen 'Fistra'-advocaten, dat Fiod-ambtenaren de neiging hebben informatie over onderzoeken naar de pers te lekken, omdat zo vaak alsnog meer tijd voor onderzoek kan worden afgedwongen, tijd die volgens het 'output-reglement' niet voorradig is.

Maar de 'boekhouders', zoals de Fiod-leiding onder de speurders wel wordt genoemd, gaan steeds verder in hun pogingen het werk van de organisatie efficiënter in te richten. Vorig jaar werd daartoe een convenant met het openbaar ministerie gesloten, waarin de Fiod zich verplicht dit jaar 452 fraudezaken bij Justitie aan te brengen. Aldus is de fraudebestrijding van Fiod-wege, zo luidt de kritiek binnen de organisatie, “verschoven van interesse voor individuele gevallen naar de macht van de grote getallen”.

Maar intussen heeft zich een nieuw type Fiod-onderzoeker opgeworpen. Jonger, zakelijker, gericht op een carrière - niet zozeer bij de Fiod, maar bij de belastingdienst als geheel, of gewoon in het bedrijfsleven. Zij malen niet om de macht van de getallen. Ze doen het werk dat van hen wordt verwacht, ze willen 'gewoon' zoveel mogelijk zaken 'scoren', zoals dat binnen de dienst heet. “Ze zullen het nooit toegeven”, zegt de Haagse advocaat mr. J. Sjöcrona, ook 'Fistra'-lid, “maar binnen de dienst groeit je status naarmate je grotere zaken en meer geld aanbrengt.”

Ook zijn confrère Italianer neemt een 'scoringsdrift' waar. “Ze zoeken als een terriër. Ze zien hun werk als een heilige opdracht, een strijd tegen Het Kwaad. Ze worden opgejut in een sfeer dat 'alle grote jongens niet deugen'. Het gevolg is dat ze hun werk vaak eenzijdig doen. Ze redeneren naar het resultaat toe. Getuigeverklaringen die hun hypothese niet ondersteunen worden genegeerd. Ik vind het gevaarlijk.”

Italianer zegt diverse voorbeelden te kunnen noemen van een onvolledige of zelfs bewust onjuiste voorstelling van zaken door de Fiod. Bij veel zaken, doceert hij, is het voor de Fiod van essentieel belang te bewijzen dat een verdachte in Nederland woonachtig is. “De standaardmethode die ze hanteren is dat ze bij de buren van zo iemand langsgaan: kent u deze man? Maar laatst kwam ik in een dossier de zin tegen: 'Nader buurtonderzoek heeft geen nieuwe feiten opgeleverd'. In dit geval was het blijkbaar zo dat zijn buren de verdachte niet herkenden. Maar dat blijft dan onvermeld. Men redeneert naar een bewijs toe, want er moet weer zonodig 'gescoord' worden.”

De kern van het probleem is volgens Langenberg dat de Fiod onder Financiën valt. “De Fiod zou onder Justitie moeten ressorteren, net als alle andere bijzondere opsporingsdiensten. Bij Financiën zien ze de Fiod als een grote geldmaker. De opbrengsten aan fraudebestrijding worden al ingeboekt nog voordat er één zaak is aangebracht. De Fiod is de lange arm van de politiek geworden.”

Maar er hangt verandering in de lucht. Na de invallen van de Fiod bij het Van der Valk-concern, dit voorjaar, was de publieke reactie anders dan in 1983, bij de start van het spraakmakende Slavenburg-onderzoek. Ook fraudebestrijder van het eerste uur, oud-officier van justitie De Bruin, nam het waar. “Het zijn zaken waar je niet zo gemakkelijk vat op krijgt. Maar uit de vergoeilijkende berichten over Van der Valk kreeg ik het idee dat er iets is veranderd in Nederland. Toen was de sfeer: pakken die fraudeurs! Nu tendeert de reactie in de richting van: ach, is een beetje fraude nou zo erg?” En niet zozeer bij de Fiod zelf, maar wel bij zijn voormalige collega's bij het OM zag De Bruin de laatste jaren de band langzaam leeglopen. “Fraude-officieren haken heel snel af. Ze raken gefrustreerd. Het is heel moeilijk werk en het effect is nagenoeg nihil. Als je het idee wilt krijgen dat fraude loont moet je dat werk een tijdje gaan doen. Vroeger hadden ze nog houvast aan de politiek, maar die zijn weer helemaal terug bij de inkomensplaatjes en de minima. Over fraude hoor je ze toch nooit meer?”

Kort na de Van der Valk-invallen verscheen in een groot aantal regionale dagbladen van de Gemeenschappelijke Persdienst (GPD) een campagne-achtige reeks artikelen waarin van de Fiod geen spaan heel bleef. Niet zozeer de fraudeurs, maar de bestrijders ervan stonden ineens in de beklaagdenbank - typeringen als machtsmisbruik, staat-in-een-staat, intimidatie en chantage werden dagen aaneen op de Fiod van toepassing verklaard. Over de juistheid viel te twisten, zo bleek, maar de toon was gezet.

Ook in het parlement waait inmiddels een andere wind. Kon de Fiod vroeger geen kwaad doen, nu zijn vrijwel alle partijen kritisch. Zo gewaagt het Kamerlid Van Rey (VVD), toch al een man van het grote woord, van 'machtswellust', 'excessen' en zo meer. “Wij gaan de komende jaren extra aandacht aan de Fiod besteden. De Fiod werkt te veel op zijn eigen houtje. Ik heb alle respect voor het opsporingswerk maar ik krijg steeds meer signalen dat we die club eens wat beter in de gaten moeten gaan houden. Mensen raken onschuldig tussen de wielen. Dat kan niet langer.”

Nog voordat schoonmaakfirmant Hozee in 1989 op de zitting moest verschijnen wegens belastingfraude, besloot hij op te houden met werken. Het ging niet meer. Op een dag verscheen een man aan de deur die zijn bedrijf wilde kopen. Hozee hapte onmiddellijk, de contracten werden meteen getekend. Korte tijd later drong het tot hem door dat hij maar een kwart van de marktwaarde had gekregen. “Kreeg ik weer een knauw.”

De veroordeling luidde: drie jaar celstraf. Wegens het over langere tijd in dienst hebben van tientallen zwartwerkers. Hij zakte door de grond. “De man”, zegt zijn advocaat Langenveld, “is alleen maar veroordeeld omdat hij de schijn tegen had. Een schoonmaakbedrijf met een slordige administratie - daar moest wel geknoei achter zitten.” Er volgde beroep tot bij de Hoge Raad, waar vijf zwartwerkers overbleven - en 4 maanden cel. “Die vijf stonden op een verkeerde loonlijst. Een vergissing van een kleine jongen met een groot bedrijf - maar bij de staat heet dat ineens fraude.”

Tegen de belastingdienst heeft hij nu nog dertien procedures lopen, hij heeft twee procedures tot schadevergoeding tegen Defensie aangespannen, en hij is een zaak bij het Europees Hof voor de rechten van de mens gestart. Wie hem kapot maakt moet maar voelen. Al komt het met zijn geheugen nooit meer goed, al heeft hij de grootste problemen zich langer dan een half uur te concentreren, al slaapt hij soms nachten niet: hij zal blijven vechten. Zijn psychiater raadt het hem af. Maar zelf denkt Hozee: “Ik ben pas 50 en volledig berooid, ik kan nu alleen nog maar winnen.”

Onderverdeling van de 600 Fiod-medewerkers in 1993

Waar in dit verhaal wordt gesproken over de Fiod gaat het in feite om een onderdeel van de dienst, de Fiscale Recherche. Dat is de grootse tak van de Fiod die zich uitsluitend richt op de bestrijding van belastingfraude. Zaken komen bij de Fiscale Recherche terecht via de belastingdienst, waarvan de Fiod onderdeel uitmaakt. Bij de Fiscale Recherche werken zo'n 300 mensen. De Fiscale Recherche beschikt over afzonderlijke opsporingsteams: één nationaal en twaalf die in regio's door het land werken.

Daarnaast heeft de Fiod de beschikking over de Douanerecherche. Daar werken circa 225 mensen, onderverdeeld in twee nationale en zes regionale opsporingsteams. De Douanerecherche kan zich in principe richten op alle zaken die de douane passeren en bestaat uit veelal gewapende rechercheurs, die in doorsnee lager opgeleid zijn dan hun collega's van de Fiscale Recherche. Een belangrijke taak van de laatste jaren betreft handel in verdovende middelen.

Circa 150 mensen werken bij de Inlichtingendienst van de Fiod. Die dienst, bestaande uit drie onderdelen, verzamelt in de maatschappij gegevens die vaak dienen als basis voor gecoördineerde Fiod-acties. Bekende zijn 'Schuimkraag' in de horeca, 'Goudtand' onder tandartsen en 'Gaper' bij apothekers.

Verder heeft de Fiod een management-tak (Personeel Organisatie Beheer) waar zo'n 50 mensen werken.

De 600 Fiod-medewerkers waren in 1993 verantwoordelijk voor de volgende produktie: van de 1700 fraudezaken waartegen de belastingdienst vorig jaar aanliep, werden er zo'n 1100 aan de Fiod doorgegeven. Dit leidde tot zo'n 250 strafprocessen, met in 224 gevallen een veroordeling. De totale opbrengst lag rond een miljard gulden.