U bent lid!

Wie weet hoeveel moeite allerlei instellingen - omroepen, boekenclubs, natuurbeschermers, Derde-wereldadopteurs - zich getroosten om leden te werven begrijpt onmiddellijk dat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde haar steen der wijzen heeft gevonden, getuige de eerste alinea van een aan mij gerichte brief, d.d. 1 juni jl.: “Op 28 mei jongstleden heeft de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde haar jaarvergadering gehouden. Tijdens die vergadering is de uitslag bekendgemaakt van eerder gehouden schriftelijke verkiezingen, waaruit gebleken is dat U gekozen bent tot lid van de Maatschappij.” Ik kreeg vroeger wel eens een envelop van, naar ik meen, Reader's Digest, waarop stond: “Direct openmaken! U hebt een prijs gewonnen!” Dat bleek nooit waar te zijn, reden waarom dat nu verboden is.

Echter, Quod non licet bovi, licet Jovi, zal ik maar zeggen, wat niet verwonderlijk is voor een instelling wier statuten, met een vleugje Kafka, 'de Wet' heten. Toch was ik minder verbaasd dan U, Lezer, nu misschien bent. Het was mij namelijk al eens eerder overkomen. Een werkend lid van de Maatschappij dat ik destijds wel eens sprak, voegde mij in het voorbijgaan een keer toe dat ik tot lid was gekozen. Ik lachte maar wat. Binnenkort zou ik wel een kwitantie en nog het een en ander krijgen. En zo geschiedde. 'Een en ander' bestond uit het Jaarboek, dat voornamelijk was gevuld met de lijst nieuwe leden die op de jaarvergadering waren gekozen, en met het Levensbericht van hen die ons ontvallen waren, zodoende de indruk wekkend dat de Maatschappij voornamelijk bezig was met haar ledenbestand, wat haar wederom een bijkans kafkaeske glans verleende.

“Bestaan jullie eigenlijk wel?” riep ik op een keer het werkend lid toe dat ik wel eens sprak. “Of is het Jaarboek een soort Wereldtijdschrift?” Het lid glimlachte geheimzinnig en snelde verder met een stapel dossiers onder zijn arm, op weg naar de griffies.

Ach, de Maatschappij bleek bij nader inzien, althans volgens het Jaarboek, allerlei nuttig werk te verrichten - het aanbrengen van plaquettes op geboortehuizen van schrijvers, de uitbreiding van haar bibliotheek, het uitreiken van literaire prijzen - maar ik wist ook meteen dat ik me met deze literaire loge, negentiende-eeuwse salon, Leidse herensociëteit, of hoe dat hyper-nerveuze grote-stadsbewustzijn van mij het in het najaar van deze eeuw ook precies aanvoelde, dat ik me daarmede nauwelijks kon identificeren.

Ik besloot het mij in de schoot geworpen lidmaatschap onmiddellijk te beëindigen maar het duurde nog vele jaren voor ik dat besluit effectueerde. Ik doe er niet alleen jaren over om ergens lid van te worden (voor Amnesty heb ik zeven jaar nodig gehad, één keer per maand denken: morgen eens even bellen), maar minstens zo lang, zo niet langer (want waarom ook al weer precies?) om me ergens uit te laten schrijven. Een jaar of twee geleden was het zover. Ik was links en rechts schoon schip aan het maken en zo kon het gebeuren dat ik ook de Maatschappij van het dek veegde, in een brief aan haar secretaris, de heer of mevrouw L.L. van Maris.

U begrijpt nu dat mijn verbazing niet zozeer de eigenaardige ledenwerf-actie van de Maatschappij geldt, maar vooral het gegeven dat zij mij, ondanks onze gezamenlijke geschiedenis, wederom tot lid heeft gekozen, bij monde van dezelfde heer of mevrouw Van Maris. Gelukkig staat 'de Wet' mij toe mijn benoeming te weigeren. “Dom, hoor!” riep een papieren lid mij toe, nadat ik hem het bovenstaande had verteld. “Nu krijg je straks je Levensbericht niet.” “Domoor”, riposteerde ik, “dat levensbericht is je doodsbericht en ik wil helemaal niet dood.”