Tsjernobyl

Bouwers van kerncentrales zien in Oost-Europa een enorme potentiële markt. Het vele werk dat daar te doen is, zou een einde kunnen maken aan de malaise in de sector sinds 1986, toen na de ramp met de kerncentrale in het Oekraïense Tsjernobyl de belangstelling voor nieuwe nucleaire centrales volledig inzakte. De bouwers kunnen in Oost-Europa hun nucleaire kennis gebruiken voor het saneren en sluiten van onvoldoende beveiligde kerncentrales.

De organisatie van Europese producenten van kerncentrales, Foratom, heeft berekend dat sanering van de kerncentrales in het GOS voor het jaar 2000 zo'n tien miljard gulden per jaar zou kosten. Als tien jaar meer voor deze operatie wordt uitgetrokken, is het een werk van zo'n zes miljard gulden per jaar.

Maar wie zo'n geweldige operatie zou moeten betalen, weet niemand. Sinds de explosie van een kernreactor in Tsjernobyl, waarbij vele doden vielen en duizenden het slachtoffer werden van radioactieve straling, wordt de sanering van de Oosteuropese kerncentrales bepleit. Door de Europese Unie, door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, door de in de G-7 verenigde belangrijkste industrielanden, door vele organisaties is financiële hulp aangeboden. Maar de bedragen die ter beschikking komen zijn slechts druppels op een gloeiende plaat. Zelfs de bereidheid van de Europese Unie om honderden miljoenen uit te trekken voor sluiting van de centrales in Tsjernobyl en het opzetten van een nieuwe energievoorziening in de Oekraïne (wellicht door de bouw van veiligere kerncentrales), vormt slechts een minimale bijdrage aan de oplossing van een gigantisch probleem.

De in 1986 ontplofte centrale van Tsjernobyl behoort tot een type dat zo onveilig is, dat sluiting de enige oplossing is. Van dit type centrales - de RBMK die zowel elektriciteit levert als materiaal voor kernwapens - staan er in Rusland vijftien, in Litouwen twee en in de Oekraïne drie. Bovendien zijn er nog enkele in aanbouw. Westerse deskundigen zien geen mogelijkheid om deze centrales zo te moderniseren dat ze aan de noodzakelijke veiligheidsnormen voldoen.

In Rusland, de Oekraïne, Slowakije, Slovenië, Tsjechië en Bulgarije staan bovendien in totaal 39 drukwaterreactoren, een type dat lijkt op de kerncentrale in Borssele. De tien oudste reactoren van dit type zijn ook zo gevaarlijk dat sluiting de enige oplossing is. De andere zouden wel omgebouwd kunnen worden, zodat ze aan westerse normen voldoen. De kosten van het opknappen van deze centrales wordt geschat op per stuk tussen de 500 miljoen en één miljard gulden. In Rusland zijn ook veel militaire nucleaire installaties, waarover maar weinig bekend is. Nucleaire specialisten nemen aan dat de veiligheidssituatie daarbij zeker niet beter is dan bij de civiele kernreactoren.

Ook als er nu geld zou zijn voor aanpak van de Oosteuropese centrales, zouden westerse bouwers daar overigens nog niet aan kunnen beginnen. Er zijn te veel juridische hindernissen. Zo is nog niet duidelijk wie verantwoordelijk is als er iets met een kerncentrale in Rusland of de Oekraïne misgaat op het ogenblik dat een Westerse onderneming daar aan het werk is.

Het hulpprogramma van de Europese Unie voor de landen van de voormalige Sovjet-Unie, TACIS, had vorig jaar ongeveer 320 miljoen gulden beschikbaar voor energie en nucleaire veiligheid. In het budget van het hulpprogramma voor de andere Oosteuropese landen, PHARE, was vorig jaar ruim veertig miljoen gulden voor nucleaire veiligheid gereserveerd. Ondernemingen die tot de nucleaire sector behoren, lobbyen in Brussel om met dat geld in Oost-Europa projecten te kunnen uitvoeren voor verbetering van de veiligheidscultuur in kerncentrales. Want behalve aan de kwaliteit van de centrales ontbreekt ook veel aan de opleiding van bedienend personeel, het veiligheidstoezicht en het onderhoud van de centrales, die dikwijls al na enkele jaren dienst volgens een westerse bezoeker 'uitgewoond' lijken. Westerse ondernemingen verzorgen opleidingen, leveren reserveonderdelen en simulatoren om operators te trainen met nagebootste ongevallen.

De meeste opdrachten voor zulke hulpprogramma's gaan naar grote bouwers van kerncentrales, zoals de Franse onderneming Framatome en het Duitse elektronicaconcern Siemens. Ook de Nederlandse combinatie Dutch Nuclear Consortium (van KEMA, het bij Stork behorende ingenieursbureau NUCON en Energieonderzoek Centrum Nederland) dingt mee naar geld uit Brussel voor het uitvoeren van veiligheidsprojecten. De training van personeel is het goedkoopste onderdeel bij de verbetering van de nucleaire veiligheid in Oost-Europa. Voor de aanpak van het duurste onderdeel, sluiting en modernisering van de kerncentrales zelf, ziet nog niemand een financiële oplossing in het verschiet. Maar de bouwers van kerncentrales zitten wel op het vinkentouw.