OESO: effect werkgelegenheid mager; Export blijft motor herstel van economie

ROTTERDAM, 30 JUNI. De Nederlandse economie maakt een periode door van geleidelijk economisch herstel dat voornamelijk te danken is aan de exportsector. Vooralsnog is het herstel onvoldoende om de hoge werkloosheid substantieel terug te dringen.

Dit schrijft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vandaag in de halfjaarlijkse World Economic Outlook. De organisatie gaat in de jongste prognoses uit van een economische groei van 1,4 procent dit jaar, die versnelt naar een groei van 2,8 procent in 1995. In de publicatie van december vorig jaar voorzag de OESO nog een matige economische groei van slechts 0,6 procent in Nederland.

Het conjuncturele dal van 1993 was ondiep omdat de Nederland sterk leunt op de produktie en export van voedingsmiddelen en diensten, die in verhouding weinig conjunctuurgevoelig zijn. De voortgang van het economische herstel hangt in de huidige economische fase met name af van de verdere ontwikkeling van de export. Door een snellere economische groei in de belangrijkste exportmarkten neemt in de projecties van de OESO dit jaar de Nederlandse uitvoer met 3,6 procent toe, na vorig jaar vrijwel te zijn gestagneerd. Door de geleidelijk aantrekkende investeringen en consumptieve bestedingen, en omdat de Nederlandse exportindustrie veel gebruik maakt van van ingevoerde grondstoffen en halffabrikaten, versnelt ook de groei van de import dit jaar tot 2,8 procent. Vorig jaar daalde de Nederlandse invoer van goederen nog. De economische opleving is niet voldoende om de werkloosheid substantieel terug te dringen, ondanks de gematigde loonontwikkeling. De OESO voorziet voor het lopende jaar een gemiddelde werkloosheid van 9,8 procent van de beroepsbevolking, die in 1995 mondjesmaat terugloopt tot 9,5 procent.

Volgens de OESO moeten de geïndustrialiseerde landen in de komende jaren een snellere groei realiseren dan in de afgelopen twintig jaar gemiddeld is bereikt om weer economiën te worden met een gezonde werkgelegenheid. Opvallend is daarbij dat de organisatie zich minder hard dan voorheen opstelt tegenover inflatie. Hoewel de OESO benadrukt dat het onder controle houden van inflatie essentieel is om het vertrouwen van investeerders en consumenten te verzekeren, vragen de onderzoekers zich af of “de kosten voor het bereiken van een inflatie van tegen de nul procent hoger zijn dan de voordelen”. De beantwoording van die vraag wordt overigens open gelaten.

De ontwikkeling van de belangrijkste buitenlandse economiën verloopt voorspoedig. De Duitse economie groei dit jaar met 1,8 procent sneller dan die van Nederland en komt volgens de OESO volgend jaar uit op 2,6 procent, en geeft daarmee het beeld weer van geheel continentaal Europa. Het Verenigd Koninkrijk zet het eerder ingezette economisch herstel door, met een groei van 2,8 procent dit jaar en 3,2 procent in 1995.

De economie van de Verenigde Staten maakt dit jaar een sterke groei door van 4 procent, maar loopt volgend jaar licht terug tot 3 procent. In Japan blijft het economisch herstel dit jaar nog achterwege, en wordt volgens de OESO serieus bedreigd door de sterk opgelopen koers van de yen.

Volgens de OESO zijn de risico's voor de ontwikkeling van de economiën in continentaal Europa redelijk in balans. Als de recente verzwakking van de koersen van aandelen en obligaties aanhoudt, met een hogere kapitaalmarktrente als gevolg, dan kan dit het vertrouwen in het herstel in de kiem smoren en het aantrekken van investeringen en consumptie hinderen. Dat resulteert in een lagere economische groei dan in de prognoses is voorzien. Mocht de recente turbulentie op de financiële markten tijdelijk blijken, dan kan de geleidelijk dalende rente juist zorgen voor een krachtiger herstel dan gepland, zo schrijft de Parijse organisatie.

De OESO gaat uit van het verder dalen van de kapitaalmarktrente en de korte-termijnrente in Europa. In Duitsland kan de kapitaalmarktrente nog teruglopen tot 6,1 procent (recentelijk opgelopen tot 7 procent) en de gedlmarktrente tot 4,3 procent (nu rond de 5 procent). De rente stabiliseert zich in de prognoses evenwel op een hoger niveau dan waar de organisatie in december nog van uit ging.